Strafrecht overig

Ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 3.048,52 dat is verkregen met de verhuur van een…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 juni 2024

Zaakgegevens

Op 21 juni 2024 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
21 juni 2024
Datum publicatie
21 juni 2024
Zaaknummer
02-307611-22 (ontneming)
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2024:4268
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 3.048,52 dat is verkregen met de verhuur van een garage voor de inrichting van een hennepkwekerij.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-307611-22

vonnis van de rechtbank d.d. 21 juni 2024

in de ontnemingszaak tegen

[betrokkene]

geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres]

raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Capelle aan den IJssel

1 De procedure

Betrokkene is op 21 juni 2024 door de rechtbank veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en medeplichtigheid aan het medeplegen van diefstal van elektriciteit tot de in die uitspraak vermelde straf.

De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.

De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juni 2024, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De officier van justitie heeft daarbij de vordering gewijzigd.

2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald van € 13.548,52. Dit bedrag is gebaseerd op de verklaring van betrokkene dat hij per maand € 1.500,00 ontving voor het ter beschikking stellen van zijn schuur. Voor de periode waarover betrokkene dit bedrag heeft ontvangen, heeft de officier van justitie zich aangesloten bij het rapport van de politie met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet daarop gaat de officier van justitie uit van een periode van 24 maanden, te weten van december 2019 tot en met december 2021. Hiermee komt de officier van justitie op een voordeel van € 36.000,00.

De officier van justitie heeft daarop de energiekosten van € 19.877,79 en de netwerkkosten van € 2.573,69 in mindering gebracht.

3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat betrokkene gedurende 16 maanden een geldbedrag van € 1.500,00 per maand heeft ontvangen voor het ter beschikking stellen van zijn schuur, hetgeen een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 24.000,00 oplevert.

De raadsman gaat daarbij uit van een periode van augustus 2020 tot en met november 2021 en heeft daartoe gewezen op de verklaring van betrokkene en het feit dat betrokkene in december 2021 geen huur meer heeft ontvangen.

De raadsman heeft aangevoerd dat op het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 24.000,00 de kosten van Enexis Netbeheer B.V. in mindering moeten worden gebracht.

4 Het oordeel van de rechtbank

4.1

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank heeft bij vonnis van 21 juni 2024 bewezen verklaard dat betrokkene de schuur bij zijn woning ter beschikking heeft gesteld voor de inrichting van een hennepkwekerij vanaf juli 2020 tot en met 8 december 2021. Zoals uit de bij dat vonnis gevoegde bewijsmiddelen volgt, heeft betrokkene ter zitting verklaard dat hij daarvoor maandelijks een geldbedrag van € 1.500,00 ontving. Gelet daarop stelt de rechtbank vast dat betrokkene gedurende 17 maanden, te weten van juli 2020 tot en met november 2021, een bedrag van € 1.500,00 heeft ontvangen, waarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel in totaal € 25.500,00 betreft. Op dit bedrag zal de rechtbank de energiekosten van € 19.877,79 en de netwerkkosten van € 2.573,69 in mindering brengen.

Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank het genoten wederrechtelijke verkregen voordeel schatten op € 3.048,52.

4.2

Vaststelling ontnemingsbedrag

De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 3.048,52 en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.

5 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 3.048,52.

- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag van € 3.048,52, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 60 dagen.

- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, mr. H. Skalonjic en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.J.M. van de Vrede en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 juni 2024.

Mrs. Skalonjic, Mullers en Van de Vrede zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.