Strafrecht overig
Veroordeling voor het belemmeren van de verklaringsvrijheid, bedreiging en het bezit van een vuurwapen en…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10157 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10157
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 02-200214-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10157
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor het belemmeren van de verklaringsvrijheid, bedreiging en het bezit van een vuurwapen en munitie. Gevangenisstraf 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aftrek van voorarrest. Bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verbeurdverklaring beslag.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-200214-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2001,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,
raadsvrouw mr. C.R. Pirone, advocaat te Rijen.
1 Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. A. Verhoeven en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 13 juli 2026 schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1: het belemmeren van de verklaringsvrijheid van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ;
feit 2: het bedreigen van die [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] ;
feit 3: het bezit van een vuurwapen en munitie.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 6 oktober 2026;
- de aangifte van [benadeelde 1] van 13 juli 2026, pagina 10 van het einddossier met dossiernummer PL2000-2026192651;
- de aangifte van [benadeelde 2] van 14 juli 2026, pagina 14 van het einddossier met dossiernummer PL2000-2026192651.
Feit 2
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 6 oktober 2026;
- de aangifte van [benadeelde 1] van 13 juli 2026, pagina 10 van het einddossier met dossiernummer PL2000-2026192651;
- de aangifte van [benadeelde 2] van 14 juli 2026, pagina 14 van het einddossier met dossiernummer PL2000-2026192651;
- de aangifte van [benadeelde 3] van 29 juli 2026, pagina 18 van het einddossier met dossiernummer PL2000-2026192651.
Feit 3
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 6 oktober 2026;
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 13 juli 2026, pagina 41, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2026192651;
- het proces-verbaal van definitieve beschrijving en categorisering van 20 juli 2026, pagina 52, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2026192651.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1
op 13 juli 2026 te [plaats] opzettelijk bij geschrift en afbeelding zich jegens [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, door:
- aan die [benadeelde 2] berichten te sturen via WhatsApp met daarin de tekst: “ [persoon] is een walking dead man, en alles om [persoon] heen pak ik ook”, “jij en je vriendin gaan verklaren wat er is gebeurd, letterlijk de waarheid, als jullie daar schijt aan hebben, heb ik schijt aan jullie en alles eromheen”, “ [persoon] schiet ik sws door zijn kankerhoofd heen, als je slim bent distantieer je jezelf van hem, je kan beter mijn kant kiezen dan die van [persoon] geloof me”, “ [benadeelde 1] komt ook aan de beurt die hoer”, “ik kan je vriendin ook aanpakken” en/of “of gaan jullie eerlijk zijn, want iedereen gaat eraan ook” en
- daarbij een foto van een vuurwapen te sturen;
feit 2
op 13 juli 2026 te [plaats] [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door:
- via WhatsApp berichten naar die [benadeelde 2] te sturen met daarin de tekst: “ [persoon] is een walking dead man, en alles om [persoon] heen pak ik ook”, “jij en je vriendin gaan verklaren wat er is gebeurd, als jullie daar schijt aan hebben, heb ik schijt aan jullie en alles eromheen”, “ [persoon] schiet ik sws door zijn kankerhoofd heen”, “ [benadeelde 1] komt ook aan de beurt die hoer”, “ik kan je vriendin ook aanpakken” en/of “of gaan jullie eerlijk zijn, want iedereen gaat eraan ook”, en
- daarbij een foto van een vuurwapen te sturen;
feit 3
op 13 juli 2026 te [plaats]
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwde gas)revolver, van het merk Rohm, type little joe, kaliber .22 LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en
- munitie in de zin van de Wet wapens en munitie, te weten 5 randvuur kogelpatronen van het kaliber .22 LR voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren. Zij vordert daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om aan verdachte een straf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan, althans zo dicht mogelijk aansluit bij, de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Dat kan gecombineerd worden met een substantieel voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en heeft daarmee geprobeerd om hun verklaringen in een strafzaak over een schietincident te beïnvloeden. Daarmee heeft verdachte bij hen gevoelens van angst en onrust veroorzaakt. Het proberen te beïnvloeden van getuigen is een ernstig strafbaar feit. Voor een goede rechtspleging is het van cruciaal belang dat iedereen die getuige is geweest van voor een strafzaak relevante feiten, daarover ten overstaan van de politie of een rechter onbelemmerd kan verklaren. Beperkingen van deze vrijheid, van welke aard ook, ondermijnen de rechtsorde. Verdachte heeft op onaanvaardbare wijze de uitkomst van een strafgeding proberen te beïnvloeden door de verklaringsvrijheid van de betrokken getuigen aan te tasten.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Bij het plegen van de feiten 1 en 2 heeft verdachte ook foto’s van dit vuurwapen getoond. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens kent geen ander doel dan het toebrengen van ernstige schade aan anderen en/of de maatschappij. Het bezit daarvan brengt onder burgers gevoelens van onveiligheid teweeg en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het is algemeen bekend dat vuurwapenbezit niet zelden leidt tot het (ondeskundig) gebruik ervan, met alle gevolgen van dien. Daarbij bestaat bovendien een groot risico dat ook onschuldige omstanders worden getroffen. Gelet op de toename van het vuurwapenbezit en het hoge gevaarzettend karakter daarvan dient daartegen streng te worden opgetreden.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor bedreiging en voor een wapenfeit.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 29 september 2026. Daaruit volgt dat sprake is van impulsief handelen, problemen op het gebied van emotie- en agressieregulatie, financiële problemen, middelenproblematiek in het recente verleden en een sociaal netwerk dat deels als risicovol kan worden beschouwd. Als beschermende factoren ziet de reclassering de steun van het gezin en de partner van verdachte, zijn wens om een schildersopleiding te volgen, toekomstgerichte plannen op het gebied van werk en wonen en zijn bereidheid om aan gedragsverandering te werken. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. Om de risico’s te beperken adviseert zij een deels voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen met bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht, deelname aan de gedragsinterventie CoVa, een contactverbod met de aangevers, het realiseren en behouden van een dagbesteding, controle op middelengebruik en indien noodzakelijk ambulante behandeling gericht op onder meer emotie- en agressieregulatie. Met deze voorwaarden kan worden gewerkt aan het verminderen van de aanwezige risicofactoren en het versterken van de beschermende factoren.
Strafoplegging
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken en naar de LOVS-oriëntatiepunten. Zij is van oordeel dat op de door verdachte gepleegde feiten niet anders kan worden gereageerd dan met een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.
Inmiddels lijkt wel tot verdachte doorgedrongen dat wat hij heeft gedaan volstrekt niet mag, ook niet wanneer hij denkt dat getuigen niet de waarheid hebben gesproken en het zijn bedoeling is dat zij dat wel doen. Verder weegt de rechtbank nog mee dat het nakomen van de bijzondere voorwaarden de nodige inspanning van verdachte zal gaan vergen. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Gelet op de problematiek die rondom verdachte speelt, acht de rechtbank een langere proeftijd op zijn plaats. De proeftijd bij de voorwaardelijke straf zal daarom bepaald worden op 3 jaren. Zij zal daaraan bovendien de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7 Het beslag
De verbeurdverklaring
De inbeslaggenomen auto wordt verbeurd verklaard. De auto is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat de feiten met betrekking tot deze auto zijn begaan.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 285 en 285a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: opzettelijk bij geschrift en bij afbeelding zich jegens een persoon uiten,
kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten
overstaan van een ambtenaar af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of
ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd,
meermalen gepleegd;
feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerst lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* dat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
* dat verdachte zich, indien dat gedurende het reclasseringstoezicht nodig wordt geacht (bijvoorbeeld naar aanleiding van de gedragsinterventie), laat behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling richt zich op zowel terugvalpreventie als problemen in de emotie- en agressieregulatie;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt met de aangevers, te weten [benadeelde 1] (geboren op [geboortedag 2] 2004), [benadeelde 2] (geboren op [geboortedag 3] 2003) en [benadeelde 3] (geboren op [geboortedag 4] 1991);
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of een opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol, verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en/of ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende voorwerp:
* 1 STK Personenauto (G2992814).
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.M. Collombon, voorzitter, en mr. C.E.M. Marsé en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 oktober 2026.
Mr. Hoekstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 13 juli 2026 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, door:
- aan/via die [benadeelde 2] berichten te sturen via WhatsApp met daarin de tekst: “ [persoon] is een walking dead man, en alles om [persoon] heen pak ik ook”, “jij en je vriendin gaan verklaren wat er is gebeurd, letterlijk de waarheid, als jullie daar schijt aan hebben, heb ik schijt aan jullie en alles eromheen”, “ [persoon] schiet ik sws door zijn kankerhoofd heen, als je slim bent distantieer je jezelf van hem, je kan beter mijn kant kiezen dan die van [persoon] geloof me”, “ [benadeelde 1] komt ook aan de beurt die hoer” , “ik kan je vriendin ook aanpakken” en/of “of gaan jullie eerlijk zijn, want iedereen gaat eraan ook” althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- daarbij een video van een vuurwapen te sturen;
( art 285a lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 13 juli 2026 te [plaats] [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:
- via WhatsApp berichten naar die [benadeelde 2] te sturen met daarin de tekst: “ [persoon] is een walking dead man, en alles om [persoon] heen pak ik ook”, “jij en je vriendin gaan verklaren wat er is gebeurd, als jullie daar schijt aan hebben, heb ik schijt aan jullie en alles eromheen”, “ [persoon] schiet ik sws door zijn kankerhoofd heen”, “ [benadeelde 1] komt ook aan de beurt die hoer”, “ik kan je vriendin ook aanpakken” en/of “of gaan jullie eerlijk zijn, want iedereen gaat eraan ook”, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking en/of
- daarbij een video van een vuurwapen te sturen;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 13 juli 2026 te [plaats]
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd gas)pistool, van het merk Rohm, type little joe, kaliber .22 LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, althans munitie in de zin van de Wet wapens en munitie, te weten 5 randvuur kogelpatronen van het kaliber .22 LR voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )