Strafrecht overig
Veroordeling voor medeplegen van ontvoering en afpersing, alsook diefstal in vereniging van bankpassen van…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7178 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 3 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-7178
Zaakgegevens
Op 3 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 3 augustus 2026
- Datum publicatie
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- 02-288702-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7178
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor medeplegen van ontvoering en afpersing, alsook diefstal in vereniging van bankpassen van het slachtoffer. Verklaring verdachte ongeloofwaardig. Hoewel ontvoering niet was beraamd, volgt uit de bewijsmiddelen dat er verdachte en zijn mededaders bij de gezamenlijk uitvoering van de handelingen bewust en nauw hebben samengewerkt. Meerdaadse samenloop. Jeugddetentie van 137 uren waarvan 20 uren voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden. Werkstraf voor 100 uren. Opheffing geschorste bevel voorlopige hechtenis. Teruggave beslag en onttrekking aan het verkeer.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-288702-25
vonnis van de meervoudige kamer van 3 augustus 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag 1] 2008 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsvrouw mr. S. Boersma, advocaat te Rotterdam.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 20 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. R. in ‘t Veld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:
Feit 1: verdachte samen met anderen [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;
Feit 2: verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afpersing;
Feit 3: verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een Apple Watch, bankpassen en een zakmes van het slachtoffer.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op basis van het strafdossier wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van zowel de wederrechtelijke vrijheidsberoving als de poging tot afpersing van het slachtoffer en de diefstal van diens bankpassen.
De officier van justitie vindt dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 en 2 genoemde onderdeel dat ziet op de verdenking met betrekking tot een vlam van een gasbrander bij het gezicht van het slachtoffer houden en de onder feit 3 genoemde diefstal van de Apple Watch en het zakmes. Verdachte dient daarvan partieel te worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor wat betreft alle onderdelen van de tenlastelegging onder feiten 1 en 2 die zien op de geweldshandelingen en bedreigingen en de diefstal van de onder feit 3 ten laste gelegde Apple Watch en het zakmes. De verdediging verzoekt de rechtbank om de verdachte hiervoor partieel vrij te spreken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op grond van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken stelt de rechtbank vast dat in de periode van 27 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 het volgende is gebeurd.
Aanleiding voor de gebeurtenissen was een conflict over vuurwerk, waar het slachtoffer volgens verdachte hem nog een geldbedrag voor verschuldigd was. Omdat betaling uitbleef, is actief naar het slachtoffer gezocht. Nadat het slachtoffer bij het [hotel] in [plaats 1] was aangetroffen, is hij meegenomen in een auto. Later is hij overgebracht naar de laadruimte van een witte bestelbus waarin hij verbleef totdat de politie hem vond.
Feit 1 Wederrechtelijke vrijheidsberoving
De verdachte heeft weliswaar bekend dat sprake was van ontvoering in de situatie van de bestelbus en dat dit ter verkrijging van het verschuldigde geld was, maar nu geen sprake is van een geheel bekennende verklaring zal de rechtbank hierna haar oordeel nader motiveren.
Uit het dossier volgt dat verdachte en zijn medeverdachte al vanaf 23 oktober 2025 actief op zoek waren naar het slachtoffer. Uit de chatgesprekken volgt dat zij gezamenlijk informatie verzamelen over zijn verblijfplaats en concrete plannen maakten om hem te confronteren. In dat kader is via Snapchat onder meer het bericht geplaatst: “[naam] is bekend. Wie regelt voor me dat hij meldt bij me die krijgt beloning. Lessen gaan geleerd worden”. Nadat het adres van het slachtoffer was achterhaald, stuurde verdachte aan de medeverdachte “kom we klemmen hem vanavond na je werk”. Ook werd via Snapchat een oproep verspreid om het slachtoffer te vinden.
Toen het slachtoffer vervolgens bij het [hotel] in [plaats 1] werd aangetroffen, werd hij geconfronteerd door meerdere personen, waaronder verdachte. Vervolgens is het slachtoffer gedwongen om een auto in te stappen. Tegen de achtergrond van de voorafgaande dreigende chatberichten en dat hij door meerdere personen werd opgedragen in de auto plaats te nemen, had het slachtoffer onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet de vrijheid om te weigeren in de auto plaats te nemen. Ook kon hij zich niet aan de situatie onttrekken. Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij dit zich achteraf ook realiseert.
Vervolgens is het slachtoffer overgebracht naar de laadruimte van de bestelbus van de medeverdachte, waar hij tegen zijn wil werd vastgehouden totdat de politie hem aantrof.
Dat verdachte stelt geen wezenlijke bijdrage te hebben geleverd aan het dwingen van het slachtoffer om in de auto te stappen, leidt niet tot een ander oordeel. Verdachte was betrokken bij het opsporen van het slachtoffer, was aanwezig bij de confrontatie, reed mee in de auto en later de bestelbus en heeft zich op geen enkel moment van het handelen van zijn medeverdachten gedistantieerd. En hoewel verdachte stelt dat de ontvoering niet als zodanig vooraf was beraamd, volgt uit de bewijsmiddelen in het dossier dat verdachte en zijn mededaders bij de gezamenlijk uitvoering van de handelingen bewust en nauw hebben samengewerkt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte als medepleger verantwoordelijk is voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving.
De rechtbank is verder van oordeel dat daarnaast sprake is van het wederrechtelijk beroofd houden van de vrijheid van het slachtoffer nadat hij vanuit de auto in de bestelbus geplaatst was. Hij is in de bestelbus achtergelaten zonder dat hij deze zelfstandig kon verlaten. Uit het onderzoek van de politie is gebleken dat de deuren van de bestelbus niet van binnenuit konden worden geopend en vanuit de laadruimte was er geen mogelijkheid om naar de voorkant van de bus te gaan. Daarnaast stond de bestelbus met de achterkant zodanig dicht tegen de muur geparkeerd dat de achterdeuren ook van buitenaf niet konden worden geopend. De bus moest eerst verplaatst worden voordat de politie de deuren kon openen om het slachtoffer te bevrijden. Onder deze omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het slachtoffer de bestelbus niet op eigen kracht kon verlaten. Dat dit ook de bedoeling was blijkt uit de chatgesprekken die zijn verstuurd waarin staat “Laat hem. Alleen. Bus tegen de muur”.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is verder van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de specifieke bestanddelen die zien op het slaan van het slachtoffer en dat een gasbrander voor zijn gezicht is gehouden. Van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte partieel worden vrijgesproken.
Feit 2 Poging tot afpersing
Nadat het slachtoffer van zijn vrijheid was beroofd, is de druk op hem voortgezet om betaling van het vermeend verschuldigde geldbedrag af te dwingen. De rechtbank leidt uit de inhoud van de chatgesprekken af dat het gezamenlijke doel van verdachte en zijn medeverdachte en anderen was om het slachtoffer geld afhandig te maken. Dit heeft de verdachte ook bekend. Reeds voorafgaand aan de ontmoeting werd gesproken over het “boeten” van het slachtoffer en werden dreigende berichten verstuurd, waaronder: “Nu gaat hij boeten” en “Z n mn wilt scotoe op me zetten ik ga hem helemaal de grond in duwen. Ik heb boete op hem gezet voor het rippen van me mattie en niet correct komen, “Als er niks gebeurt gaat z’n waggie als eerst de lucht in” en “hij gaat z’n les leren”.
De rechtbank acht het moeilijk voorstelbaar dat verdachte ervan uitging dat het geld zonder enige vorm van dwang of bedreiging zou worden verkregen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat op 26 oktober 2025 om 21.08 uur het bericht werd verzonden: “Hij is al goed aangepakt.” Tegen die achtergrond acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat tijdens de rit in de auto en de bestelbus, door verdachte, de medeverdachte en de andere personen geen geweld, bedreiging met geweld of andere drukmiddelen zijn gebruikt ongeloofwaardig. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van het slachtoffer dat hij gedurende zijn vrijheidsberoving onder druk werd gezet om geld af te geven, waarbij hem tikken tegen het hoofd zijn gegeven en hij dreigend werd toegesproken.
De rechtbank acht dan ook de poging tot afpersing in vereniging wettig en overtuigend bewezen, maar veroordeelt verdachte voor enkel ‘enig geldbedrag’, omdat uit het dossier onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het om een bedrag van €7.000,00 gaat. Verder is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de specifieke bestanddelen die zien op de verdenking van het slaan van het slachtoffer en dat een gasbrander voor zijn gezicht is gehouden. Van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte partieel worden vrijgesproken.
Feit 3 Diefstal in vereniging
De rechtbank acht tot slot wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging van de vier bankpassen van het slachtoffer, zoals tenlastegelegd onder feit 3. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op de “Apple smartwatch” en “het zakmes”, omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat deze goederen van het slachtoffer zijn gestolen.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij niet betrokken was bij de diefstal van de bankpassen van het slachtoffer ongeloofwaardig en niet doorslaggevend. Verdachte zat in de auto toen dat gebeurde. Verdachte was er bovendien van op de hoogte dat de bankpassen werden ingenomen en onder hem moesten worden gehouden als zogenoemde “borg” tot het geëiste geld door het slachtoffer zou zijn betaald. Het afnemen en onder zich houden van de bankpassen maakt daarmee integraal onderdeel uit van het gezamenlijk optreden. Dat verdachte niet zelf de bankpassen uit handen van het slachtoffer heeft genomen doet aan zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid als medepleger niet af. Daarbij komt dat de bankpassen bij de verdachte zijn aangetroffen. .De bewezenverklaring
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 27 oktober 2025 tot en met 28 oktober in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk
[slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,
door
- die [slachtoffer] in een personenauto te geleiden en
- met voornoemde personenauto met daarin die [slachtoffer] te rijden en
- meerdere malen, in elk geval eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer] te
tikken en
-
- die [slachtoffer] vanuit voornoemde personenauto over te plaatsen naar en in een
bestelbus en
- met voornoemde bestelbus met daarin die [slachtoffer] te gaan rijden en
- die [slachtoffer] in voornoemde en afgesloten bestelbus achter te laten
en
- (daarbij) die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "Als je naar de
politie gaat word je onthoofd", "Je moeder pakken wij ook", "We gooien je van de
brug", "Als je weggaat komt iemand je achterna die je dood gaat schieten" en/of
"Als je het geld niet binnen 24 uur hebt geregeld, doen we waarmee wij hebben
gedreigd;
2
in de periode van 27 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen
misdrijf om
met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en bedreiging met geweld
[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van enig
geldbedrag, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde
toebehoorde
- die [slachtoffer] naar een personenauto heeft geleid en
- met voornoemde personenauto met daarin die [slachtoffer] heeft gereden
en
- meerdere malen tegen het hoofd van die [slachtoffer]
heeft getikt en
- die [slachtoffer] vanuit voornoemde personenauto naar en in een bestelbus heeft
overgeplaatst en
- met voornoemde bestelbus met daarin die [slachtoffer] heeft gereden en
- die [slachtoffer] in voornoemde en afgesloten bestelbus achter heeft gelaten
en
- die [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Als je naar de politie
gaat word je onthoofd", "Je moeder pakken wij ook", "We gooien je van de brug",
"Als je weggaat komt iemand je achterna die je dood gaat schieten" en/of "Als je het
geld niet binnen 24 uur hebt geregeld, doen we waarmee wij hebben gedreigd",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
in de periode van 27 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
vier bankpassen, die
aan [slachtoffer] , toebehoorden heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 187 dagen, waarvan 170 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar met hieraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) en aanvullend een contactverbod met het slachtoffer. Daarnaast vordert de officier van justitie verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uur op te leggen, te vervangen door 100 dagen jeugddetentie.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de samenloop van de ten laste gelegde feiten en met de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte zoals die tijdens de zitting naar voren zijn gebracht. Verdachte is een first offender, neemt zijn verantwoordelijkheid, heeft spijt en er zijn geen aanwijzingen voor risicofactoren voor herhaling zoals blijkt uit het raadsrapport. Hij volgt een opleiding, heeft een stage en hij wil werken aan zijn toekomst. Verder verzoekt de verdediging om rekening te houden met de belastbaarheid van verdachte, mede gelet op zijn medische situatie. De MS en diabetes hebben grote invloed op zijn leven.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen, waaronder zijn broer, schuldig gemaakt aan ontvoering, een poging tot afpersing en diefstal van de bankpassen van het slachtoffer. In plaats van het conflict over vuurwerk en de betaling daarvan zonder crimineel gedrag op te lossen, heeft verdachte ervoor gekozen om daarin andere mensen te betrekken en het slachtoffer onder druk te zetten om zo geld af te dwingen. Door de ontvoering is de vrijheid van het slachtoffer ernstig aangetast en heeft hij urenlang in angst en onzekerheid verkeerd over wat hem te wachten stond, waarbij er ook werd gedreigd met geweld. Dit brengt gevoelens van hevige angst en machteloosheid met zich mee en kan nog lang psychische gevolgen hebben voor het slachtoffer. Daarnaast heeft de verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer door zijn bankpassen als zogenoemde borg af te nemen. Dit getuigt van een berekende en respectloze houding ten opzichte van de persoonlijke eigendommen en belangen van het slachtoffer.
Persoon van de verdachte
Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 17 jaar. De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij first offender is.
Uit het rapport van de Raad van 13 juli 2026 volgt dat er weinig risicofactoren worden gezien die de kans op herhaling van het delictgedrag vergroten. Sinds de betrokkenheid van de jeugdreclassering gaat het beter met verdachte. De ouders zijn betrokken en hebben meer zicht op hem gekregen. De verdachte gaat naar school en krijgt hulp van [hulpverlening] , die hem helpt zoeken naar een bijbaan. Het is belangrijk dat verdachte naar school blijft gaan en een positieve dagbesteding heeft. Daarom dient [hulpverlening] betrokken te blijven om te kunnen blijven werken aan verschillende doelen. Het voortzetten van de begeleiding van de jeugdreclassering is nodig om de positieve ontwikkeling vast te blijven houden. Indien dit nu wordt beëindigd vreest de Raad dat dit het risico op terugval van delictgedrag kan vergroten. De Raad adviseert verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen en daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie met daarbij de bijzondere voorwaarden:
-
dat verdachte onderwijs zal volgen,
-
dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan de benodigd geachte hulpverlening vanuit de jeugdreclassering zoals bijvoorbeeld [hulpverlening] ,
waarbij aan de Gecertificeerde instelling, te weten Jeugdbescherming Brabant te Etten-Leur de opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden.
Meerdaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1 en feit 2 sprake is van meerdaadse samenloop als bedoeld in artikel 57 e.v. van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen hangen niet zo nauw met elkaar samen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt en de strekking van de desbetreffende strafbepalingen loopt meer dan enigszins uiteen.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank verder rekening met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de persoon van verdachte. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank mee dat sprake was van een plan van de groep waarvan verdachte deel uitmaakte. In het voordeel van de verdachte neemt de rechtbank zijn blanco strafblad mee, zijn persoonlijke- en medische omstandigheden en het feit dat verdachte ter zitting zijn spijt heeft betuigd.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat zij gelet op de ernst van de feiten niet anders kan dan overgaan tot het opleggen van een deels voorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank legt gelet op de genoemde omstandigheden een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist en is van oordeel dat een jeugddetentie van 137 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaar passend en geboden is. Een voorwaardelijke jeugddetentie is nodig om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en om de begeleiding van de jeugdreclassering voort te zetten. De rechtbank zal hierbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad opleggen. Tevens wordt een contactverbod met het slachtoffer als bijzondere voorwaarde opgenomen, om bij te dragen aan diens gevoel van veiligheid.
Omdat het belangrijk is dat de verdachte de gevolgen van zijn handelen ervaart en om hem die te laten voelen, legt de rechtbank naast een deels voorwaardelijke jeugddetentie ook een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op. De rechtbank zal een werkstraf van 100 uren opleggen, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie indien verdachte deze werkstraf niet of niet goed uitvoert.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7 Het beslag
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert verklaring van de bankpassen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van het beslag aan het oordeel van de rechtbank.
De teruggave
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen bankpassen aan het slachtoffer, omdat hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 57, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 282, 311, en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;
feit 2: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 137 (honderdzevenendertig) dagen waarvan 120 (honderdtwintig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, zijnde 17 dagen, in minder wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat:
* verdachte onderwijs zal volgen;
* verdachte meewerkt aan nodig geachte hulpverlening zoals [hulpverlening] , als de jeugdreclassering dit nodig acht;
* verdachte op geen enkel wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2007, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod gedurende de proeftijd nodig vindt;
- bepaalt dat van rechtswege gelden de bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- draagt de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant te Etten-Leur, op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- draagt de politie op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde die ziet op het contactverbod met het slachtoffer;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;
Beslag
- gelast de teruggave aan het slachtoffer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. goednummer: PL2000-2025288239-2922284 te weten: zilveren bankpas Revolut op naam van [slachtoffer] ;
2. goednummer: PL2000-2025288239-2922285 te weten: bankpas ABN AMRO [rekening nummer 1] op naam van [slachtoffer] ;
3. goednummer: PL2000-2025288239-2922286 te weten: bankpas Rabobank [rekening nummer 2] op naam van [slachtoffer] ;
4. goednummer PL2000-2025288239-2922287 te weten: bankpas ING Bank op naam van [slachtoffer] .
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. A.R. van Triest en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van L.P.C. Akkermans-Bruijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 augustus 2026.
De voorzitter is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1 1
hij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 te
[plaats 1] , [plaats 2] en/of [plaats 3] , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk
[slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,
door
- die [slachtoffer] in een personenauto te geleiden en/of
- met voornoemde personenauto met daarin die [slachtoffer] te rijden en/of
- meerdere malen, in elk geval eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer] te
slaan en/of te tikken en/of
- de vlam van een gasbrander vlakbij het gezicht van die [slachtoffer] te brengen
- die [slachtoffer] vanuit voornoemde personenauto over te plaatsen naar/in een
bestelbus en/of
- met voornoemde bestelbus met daarin die [slachtoffer] te gaan rijden en/of
- die [slachtoffer] in voornoemde en/of afgesloten bestelbus achter te laten
en/of
- (daarbij) die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "Als je naar de
politie gaat wordt je onthoofd", "Je moeder pakken wij ook", "We gooien je van de
brug", "Als je weggaat komt iemand je achterna die je dood gaat schieten" en/of
"Als je het geld niet binnen 24 uur hebt geregeld, doen we waarmee wij hebben
gedreigd", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 te
[plaats 1] , [plaats 2] en/of [plaats 3] , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 7000 euro, in elk geval enig
geldbedrag, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde
toebehoorde(n)
- die [slachtoffer] naar een personenauto heeft geleid en/of
- met voornoemde personenauto met daarin die [slachtoffer] heeft gereden
en/of
- meerdere malen, in elk geval eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer]
heeft geslagen en/of getikt en/of
- een vlam van een gasbrander vlakbij het gezicht van die [slachtoffer] heeft
gebracht en/of
- die [slachtoffer] vanuit voornoemde personenauto naar/in een bestelbus heeft
overgeplaatst en/of
- met voornoemde bestelbus met daarin die [slachtoffer] heeft gereden en/of
- die [slachtoffer] in voornoemde en/of afgesloten bestelbus achter heeft gelaten
en/of
- die [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Als je naar de politie
gaat wordt je onthoofd", "Je moeder pakken wij ook", "We gooien je van de brug",
"Als je weggaat komt iemand je achterna die je dood gaat schieten" en/of "Als je het
geld niet binnen 24 uur hebt geregeld, doen we waarmee wij hebben gedreigd",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 te
[plaats 1] en/of [plaats 2] , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een Apple watch, vier bankpassen en/of een zakmes, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht )