Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOVE:2026:552

Op 2 February 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 08-201486-25, 08-084056-25 en 08-100140-25 (gev.), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:552. De plaats van zitting was Almelo.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
08-201486-25, 08-084056-25 en 08-100140-25 (gev.)
Datum uitspraak:
2 February 2026
Datum publicatie:
5 February 2026

Indicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 146 dagen voorwaardelijk, het betalen van schadevergoedingen, stelt dat hij zich meldt bij de Reclassering en legt hem contactverboden op met twee van de slachtoffers.

De verdachte is schuldig bevonden aan mishandeling, zware mishandeling en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolg.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08-201486-25, 08-084056-25 en 08-100140-25 (gev.) (P)

Datum vonnis: 2 februari 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1996 in [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

verblijvende aan de [woonplaats].

1
Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 januari 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. D.T. Stoof, advocaat in Breda, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door mr. E.W. Baan, advocaat in Enschede, is aangevoerd alsmede van wat namens benadeelde partij [slachtoffer 3] door [slachtoffer 4], werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland, is aangevoerd.

2
De tenlasteleggingen

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 19 januari 2026 in de zaak onder parketnummer 08-201486-25, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

08-201486-25, feit 1: [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel als gevolg;

08-201486, feit 2: [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Dit is subsidiair ten laste gelegd als een poging daartoe;

08-084056-25: [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]) heeft mishandeld;

08-100140-25: [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5]) heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

Voluit luiden de tenlasteleggingen aan verdachte, dat:

08-201486-25

1.

hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Enschede, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (met kracht) vast te pakken en/of naar de grond te duwen waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;

2.

hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Enschede, aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing, een scheur in zijn onderlip, zwaar geneusde knie, een of meerdere kneuzingen in zijn gezicht, bovenlijf en/of onderrug heeft toegebracht door:

- die [slachtoffer 2] (met kracht) een of meerdere malen op/tegen het gezicht/hoofd, te slaan, te stompen en/of te stoten, waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen en/of

- ( terwijl voornoemde [slachtoffer 2] op de grond lag) die [slachtoffer 2] een of meerdere malen op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam, te trappen en/of te schoppen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers heeft hij

- die [slachtoffer 2] (met kracht) een of meerdere malen op/tegen het gezicht/hoofd, geslagen en/of gestompt en/of gestoten, waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen en/of

- ( terwijl voornoemde [slachtoffer 2] op de grond lag) die [slachtoffer 2] een of meerdere malen op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam, getrapt en/of geschopt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

08-084056-25

hij op of omstreeks 13 maart 2025 te Enschede, althans in Nederland, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3], meermalen, althans eenmaal, (met kracht) te duwen en/of richting de grond te gooien;

08-100140-25

hij op of omstreeks 15 mei 2024 te Enschede [slachtoffer 5] heeft mishandeld door hem in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam, te stompen (waarbij die [slachtoffer 5] bewusteloos ten val is gekomen), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een jukbeenbreuk en/of bloeduitstortingen in de schedel ten gevolge heeft gehad.

Overwegingen

3
De bewijsmotivering
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten, en ten aanzien van het onder parketnummer 08-201486-25 feit 2 het primair ten laste gelegde, wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van het onder parketnummer 08-201486-25 feit 1 en het parketnummer 08-100140-25 ten laste gelegde partieel vrijgesproken dient te worden van het bestanddeel “zwaar lichamelijk letsel”. Voor het overige heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Parketnummer 08-201486-25

Op 29 juni 2025 heeft verdachte in Enschede een confrontatie gehad met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar aanleiding van een conflict in het verkeer. Verdachte heeft [slachtoffer 1] vastgepakt en naar de grond geduwd waardoor zij ten val is gekomen. Hij heeft [slachtoffer 2] geslagen en getrapt. Beiden hebben letsel opgelopen.

- Feit 1

Overweging met betrekking tot “zwaar lichamelijk letsel”

[slachtoffer 1] heeft drie gebroken ribben, een klaplong, een longkneuzing en een kneuzing van het schouderblad opgelopen ten gevolge van de mishandeling. Enige tijd na de mishandeling is zij begonnen met revalidatie door middel van fysiotherapie. Tot op heden (meer dan zes maanden later) ondervindt [slachtoffer 1] nog dagelijks pijnklachten. De rechtbank is van oordeel dat het letsel is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De rechtbank komt tot deze conclusie vanwege de aard en ernst van het letsel zoals hiervoor is beschreven, het feit dat medisch ingrijpen noodzakelijk was en de lange herstelperiode, die nog immer voortduurt.

Conclusie

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en de rechtbank een afzonderlijke overweging heeft gewijd aan het verweer van de raadsman over het bestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel’ - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

- Feit 2

Partiële vrijspraak

Verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer 2] tegen/op zijn gezicht/hoofd heeft getrapt of geschopt. [slachtoffer 2] heeft hier zelf niet over verklaard, getuigenverklaringen hierover ontbreken en ook op de door de verbalisanten uitgekeken camerabeelden worden deze handelingen niet waargenomen. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] op/tegen zijn gezicht/hoofd heeft getrapt of geschopt. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Daarnaast acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk een hersenkneuzing aan [slachtoffer 2] heeft toegebracht. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit de medische informatie uit het dossier komt naar voren dat er bij [slachtoffer 2] “LTSH” (licht traumatisch schedel-/hersenletsel) is vastgesteld. Uit eenvoudig openbaar te raadplegen bronnen volgt dat LTSH niet hetzelfde is als de ten laste gelegde hersenkneuzing. LTSH wordt ook wel omschreven als een hersenschudding zonder blijvende schade, terwijl bij een hersenkneuzing sprake is van middelzwaar tot ernstig traumatisch hersenletsel, met in de meeste gevallen wel blijvende schade. Gelet op de medische informatie, waarin dus alleen wordt gesproken over LTSH, ziet de rechtbank zich genoodzaakt verdachte ook op dit onderdeel vrij te spreken.

Conclusie

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

3.3.2

Parketnummer 08-084056-25

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 13 maart 2025 zit verdachte in een auto, die geparkeerd staat bij de Primera aan de Zweringweg in Enschede. Er ontstaat een conflict tussen verdachte en aangeefster [slachtoffer 3] over afval dat afkomstig is uit de auto van verdachte. Verdachte stapt uit de auto, pakt [slachtoffer 3] aan haar arm vast en gooit haar op de grond. Op het moment dat [slachtoffer 3] weer opstaat, wordt zij nogmaals vastgepakt en enkele meters weggeslingerd. Ten gevolge hiervan heeft [slachtoffer 3] een pijnlijke hand.

Overwegingen van de rechtbank

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.

3.3.3

Parketnummer 08-100140-25

Op 15 mei 2024 heeft verdachte [slachtoffer 5] eenmaal met kracht in het gezicht gestompt, waarbij [slachtoffer 5] bewusteloos ten val is gekomen.

Partiële vrijspraak

Op basis van het dossier is er onvoldoende wettig bewijs voorhanden om tot het oordeel te komen dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr. Het dossier bevat met betrekking tot het letsel van [slachtoffer 5] een proces-verbaal waarin een verbalisant relateert over een telefonisch gesprek met de arts van [slachtoffer 5]. Hoewel het voor de rechtbank hiermee vaststaat dat [slachtoffer 5] letsel heeft opgelopen door de mishandeling, bevat het dossier overigens onvoldoende concrete (medische) informatie met betrekking tot de precieze aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Omdat deze medische informatie ontbreekt, kan op basis van het dossier niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, en daarom zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en de rechtbank een afzonderlijke overweging heeft gewijd aan het verweer van de raadsman over het bestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel’ - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

08-201486-25

1.

hij op 29 juni 2025 te Enschede, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met kracht vast te pakken en naar de grond te duwen waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;

2. primair

hij op 29 juni 2025 te Enschede, aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een scheur in zijn onderlip, zwaar gekneusde knie, kneuzingen in zijn gezicht, bovenlijf en onderrug heeft toegebracht door:

- die [slachtoffer 2] met kracht meerdere malen tegen het gezicht te stompen, waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen en

- ( terwijl voornoemde [slachtoffer 2] op de grond lag) die [slachtoffer 2] meerdere malen tegen het lichaam te trappen en/of te schoppen;

08-084056-25

hij op 13 maart 2025 te Enschede [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3], meermalen met kracht te duwen en/of richting de grond te gooien;

08-100140-25

hij op 15 mei 2024 te Enschede [slachtoffer 5] heeft mishandeld door hem tegen het gezicht te stompen (waarbij die [slachtoffer 5] bewusteloos ten val is gekomen).

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 300 en 302 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

08-201486-25, feit 1

het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

08-201486-25, feit 2 primair

het misdrijf: zware mishandeling;

08-084056-25 en 08-100140-25

telkens het misdrijf: mishandeling.

5
De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6
De op te leggen straf of maatregel
6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van veertien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies van 23 september 2025, te worden gekoppeld. Ook heeft de officier van justitie de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de vorm van een maatregel ex artikel 38v Sr gevorderd voor de duur van drie jaren. Daarbij dient vervangende hechtenis van vijf dagen te worden bevolen voor iedere keer dat niet aan die maatregel wordt voldaan, waarbij de maximale hechtenis zes maanden bedraagt.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, opgelegd dient te worden. Daarnaast kan er een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte worden opgelegd met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

6.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier ernstige geweldsdelicten. Na een uit de hand gelopen verkeersconflict met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft verdachte excessief geweld tegen hen, met name tegen [slachtoffer 2], gebruikt op een openbare weg. Zij hebben daar beiden ernstig letsel aan over gehouden. Ook heeft verdachte [slachtoffer 5] op klaarlichte dag en op de parkeerplaats van een supermarkt plotseling met één stomp bewusteloos geslagen, na een verhitte woordenwisseling. Ten gevolge hiervan heeft [slachtoffer 5] letsel aan zijn hoofd opgelopen. Tot slot heeft verdachte [slachtoffer 3] geduwd en op de grond gegooid, nadat [slachtoffer 3] hem had geconfronteerd met het feit dat er afval uit zijn auto was gegooid dan wel gevallen. Verdachte heeft met dit forse geweld telkens op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van de slachtoffers. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij met zijn handelen geheel voorbij is gegaan aan de gevoelens van en gevolgen voor de slachtoffers en slechts oog heeft gehad voor het uiten van zijn eigen gevoelens van boosheid en frustratie. Uit de onderbouwingen bij de schadevorderingen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] komt naar voren dat zij tot op heden de negatieve gevolgen ondervinden van wat hen is aangedaan. Het heeft er alle schijn van dat er weinig voor nodig is om verdachte te agiteren, hetgeen resulteert in agressief gedrag met alle gevolgen van dien. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 11 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank weegt dit neutraal mee bij het bepalen van de op te leggen straf.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van 23 september 2025 en 12 oktober 2025, opgemaakt door reclasseringswerker [naam]. Hierin staat onder meer het volgende. Verdachte heeft erkend dat hij een probleem heeft op het gebied van agressiehuishouding, waardoor de reclassering mogelijkheden ziet verdachte te ondersteunen. De reclassering acht reclasseringsondersteuning door middel van verwijzing naar een ambulante forensische behandelinstelling, aandacht voor softdrugsgebruik, behouden van dagbesteding en ondersteuning bij het vinden van woonruimte in een andere woonomgeving geïndiceerd, om de kans van slagen te vergroten. In het eerste rapport adviseert de reclassering om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole. In het meest recente rapport, opgemaakt naar aanleiding van de opdracht om eventuele schorsingsmogelijkheden te onderzoeken, zijn daar als (schorsings-)voorwaarden nog een locatiegebod en een contactverbod aan toegevoegd.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat er inmiddels een intake voor de ambulante behandeling heeft plaatsgevonden.

De op te leggen straf of maatregel

Gezien de ernst van de gepleegde feiten en de gevolgen hiervan voor de slachtoffers kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft voor de hoogte van de op te leggen straf gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf ook rekening met het feit dat de voorlopige hechtenis van verdachte bijna twee maanden geschorst is geweest. In die periode heeft verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en is hij aangemeld voor een ambulante behandeling, waarvoor reeds een intake heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht het van belang dat verdachte spoedig met de ambulante behandeling, gericht op agressieregulatie, kan starten. De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij lijkt in te zien dat hij een agressieprobleem heeft, waar hij aan wil werken. Ook weegt de rechtbank enigszins in strafmatigende zin mee dat [slachtoffer 2] ook verwijtbaar heeft gehandeld, door verdachte na de verkeersruzie te achtervolgen, verdachte klem te rijden en als eerste een duw te geven.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en een forse taakstraf op te leggen. Het voorwaardelijke strafdeel heeft mede het doel om recidive zoveel als mogelijk te voorkomen en als stok achter de deur voor verdachte om zich aan de op te leggen bijzondere voorwaarden te (blijven) houden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden verbinden, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de in het reclasseringsrapport van 23 september 2025 geadviseerde voorwaarden. De rechtbank zal ook een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als bijzondere voorwaarde, en dus niet in vorm van een maatregel in de zin van artikel 38v Sr zoals door de officier van justitie is gevorderd, opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. De rechtbank heeft hierbij de aard en de ernst van de feiten, waarbij er telkens sprake is van zeer gewelddadig gedrag jegens personen, in aanmerking genomen.

6.4.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7
De schade van benadeelden
7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] (parketnummer 08-201486-25, feit 1)

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.616,01, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- eigen risico 2025 € 376,51

- fysiotherapie € 625,50

- daggeldvergoeding van het ziekenhuis € 114,--

- toekomstige schade € 1.000,--.

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 3.500,-- gevorderd.

[slachtoffer 2] (parketnummer 08-201486-25, feit 2 primair)

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 7.998,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- eigen risico 2025 € 385,--

- medische hulpmiddelen € 60,67

- medicatie € 4,07

- fysiotherapie € 308,50

- daggeldvergoeding ziekenhuis € 190,--

- toekomstige schade € 1.000,--

- reiskosten € 50,47

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 6.000,-- gevorderd.

[slachtoffer 3] (parketnummer 08-084056-25)

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 840,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- onherstelbaar beschadigde bril € 189,--

- onherstelbaar beschadigde jas € 24,56

- eigen bijdrage zorgkosten (tetanusinjectie) € 27,12

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 600,-- gevorderd.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] op het standpunt gesteld dat het bedrag dat is gevorderd ter vergoeding van de onherstelbaar beschadigde bril kan worden toegewezen tot een bedrag van € 164,--. Dit is gelegen in het feit dat in de schadepost ook de kosten van de premie (€ 25,--) zijn meegenomen, hetgeen volgens de officier van justitie geen rechtstreekse schade betreft. Voor het overige heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen voor toewijzing vatbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot vergoeding van de kosten van de fysiotherapie en de daggeldvergoeding van het ziekenhuis, nu niet is aangetoond dat deze kosten niet zijn gedekt door de zorgverkering. Dit geldt – zo begrijpt de rechtbank – ook voor de door [slachtoffer 2] gevorderde vergoeding van de medische hulpmiddelen, medicatie, fysiotherapie en daggeldvergoeding van het ziekenhuis. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dienen ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vorderingen voor zover deze zien op de gevorderde vergoeding voor toekomstige schade, omdat dit deel van de vorderingen niet voldoende is onderbouwd en aannemelijk is gemaakt. De raadsman heeft aangevoerd dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] eigen schuld hebben aan de schade. Gelet daarop dient het door hen gevorderde bedrag ter vergoeding van immateriële schade te worden gematigd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 3] ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor de bril en de jas niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat uit het dossier niet blijkt dat de jas onherstelbaar is beschadigd en het onbegrijpelijk is dat er vergoeding voor nieuwe glazen wordt gevraagd terwijl wordt gesteld dat het montuur van de bril vernield zou zijn. Ook wordt de nieuwprijs en niet de dagwaarde van de bril gevorderd. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van de tetanusinjectie heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de gevorderde vergoeding van immateriële schade in sterke mate te matigen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1]

- Materieel

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder parketnummer 08-201486, feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten, behoudens de toekomstige schade, zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 1.116,01, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

De toekomstige opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat onvoldoende is onderbouwd waaruit deze toekomstige schade bestaat, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden.

De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

- Immaterieel

Op grond van artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, nu zij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, zoals hiervoor reeds omschreven. Gelet op de gegeven onderbouwing en in aansluiting op hetgeen in vergelijkbare zaken is toegewezen, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 3.500,--, billijk. De rechtbank zal het gevorderde bedrag derhalve volledig toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

- Eigen schuld

De rechtbank zal op de toe te wijzen vergoeding van de schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW. Er is, anders dan de verdediging stelt, niet gebleken van een verwijtbare gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor haar schade (mede) zou zijn ontstaan.

[slachtoffer 2]

- Materieel

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder parketnummer 08-201486, feit 2 primair bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten, behoudens de toekomstige kosten, zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 998,71, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

De toekomstige opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat omdat onvoldoende is onderbouwd waaruit deze toekomstige schade bestaat, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden.

De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

- Immaterieel

Op grond van artikel 6:106, onder b, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, nu hij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. [slachtoffer 2] heeft kneuzingen aan zijn kaak, ribben en rug opgelopen. Er is daarnaast sprake van complex bandletsel van de knie, waarvoor eventueel een hersteloperatie geïndiceerd is. Ook heeft [slachtoffer 2] littekenweefsel op zijn lip. Gelet op de gegeven onderbouwing en in aansluiting op hetgeen in vergelijkbare zaken is toegewezen, stelt de rechtbank de schade naar billijkheid vast op € 4.500,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

- Eigen schuld

Een omstandigheid waardoor de schadevergoedingsverplichting van verdachte kan worden verminderd is gelegen in de eigen schuld van de benadeelde partij in de zin van artikel 6:101 BW. Bij beantwoording van de vraag of en in hoeverre eigen schuld van de benadeelde partij leidt tot vermindering van de schadevergoedingsplicht moet allereerst worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, die benadeelde partij heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Vervolgens volgt een beoordeling van de mate van verwijtbaarheid van zowel de een als de ander met daarbij, indien van toepassing, een billijkheidscorrectie. Wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval kan de billijkheid immers een andere verdeling eisen dan de maatstaf van wederzijdse causaliteit met zich zou brengen. Bij deze billijkheidscorrectie mag ook de ernst van het letsel van de benadeelde partij worden betrokken.

De rechtbank is van oordeel dat de door [slachtoffer 2] geleden schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan hemzelf kan worden toegerekend, zodat sprake is van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. [slachtoffer 2] heeft immers, nadat er tussen hem en verdachte een verkeersconflict was ontstaan, de achtervolging ingezet en de auto van verdachte uiteindelijk klemgereden. Vervolgens is [slachtoffer 2] als eerste uitgestapt en heeft hij de fysieke confrontatie als eerste opgezocht, door de verdachte een duw te geven. Het gedrag van [slachtoffer 2] heeft dan ook bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Naar het oordeel van de rechtbank is het ontstaan van de schade voor 50% aan de benadeelde partij toe te rekenen, en dus ook voor 50% aan de verdachte. Gelet op het daaropvolgende, bewezenverklaarde handelen van verdachte, ziet de rechtbank aanleiding om een billijkheidscorrectie toe te passen. [slachtoffer 2] heeft weliswaar de confrontatie met de verdachte opgezocht, maar verdachte heeft vervolgens zeer fors geweld toegepast waardoor [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ook op het moment dat [slachtoffer 2] reeds weerloos op de grond lag, is verdachte doorgegaan met het plegen geweld. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist, dat de schade in overwegende mate voor rekening van de verdachte blijft. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering voor 80%, te weten een (afgerond) bedrag van € 4.398,97, zal worden toegewezen en voor het resterende deel zal worden afgewezen.

[slachtoffer 3]

- Materieel

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder parketnummer 08-084056-25 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de onder schadepost “onherstelbaar beschadigde bril” ondergebrachte kosten van de premie, een bedrag van € 25,--, geen rechtstreekse schade betreft en zal de vordering in zoverre afwijzen. De overig opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 215,68, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

- Immaterieel

Op grond van artikel 6:106, onder b, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, nu zij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Na de mishandeling had zij een wond op haar duim en schaafwonden op haar knieën. Gelet op de gegeven onderbouwing en in aansluiting op hetgeen in vergelijkbare zaken is toegewezen, stelt de rechtbank de schade naar billijkheid vast op € 300,--. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

7.5

De schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht. Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met het hieronder genoemde aantal dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De rechtbank zal de betalingsverplichtingen tevens vermeerderen met de wettelijke rente. sinds de dag waarop de bewezen verklaarde feiten jegens de benadeelde partijen zijn gepleegd (voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is dat 29 juni 2025, voor [slachtoffer 3] is dat 13 maart 2025), tot die van de voldoening.

8
De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

9
De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08-201486-25 feit 1 en feit 2 primair, onder parketnummer 08-084056-25 en parketnummer 08-100140-25 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

08-201486-25, feit 1

het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

08-201486-25, feit 2 primair

het misdrijf: zware mishandeling;

08-084056-25 en 08-100140-25

telkens het misdrijf: mishandeling.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 (driehonderd) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 146 (honderdzesenveertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de

proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

- zich laat behandelen door AFPN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de

reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

- meewerkt aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 1964, en [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 1975, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;

- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

schadevergoeding

vordering [slachtoffer 1] (parketnummer 08-201486-25, feit 1)

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4.616,01 (bestaande uit € 1.116,01 materiële schade en € 3.500,-- immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 4.616,01 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2025);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.616,01, (zegge: vierduizend zeshonderdzestien euro en één cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 46 (zesenveertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 1.000,-- (bestaande uit materiële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

vordering [slachtoffer 2] (parketnummer 08-201486-25, feit 2 primair)

- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 2.599,74 (bestaande uit € 199,74 materiële schade en € 2.400,-- immateriële schade)

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4.398,97 (bestaande uit € 798,97 materiële schade en € 3.600,-- immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 4.398,97 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2025);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.398,97, (zegge: vierduizend driehonderdachtennegentig euro en zevenennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 43 (drieënveertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 1.000,-- (bestaande uit materiële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

vordering van [slachtoffer 3] (parketnummer 08-084056-25)

- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 325,-- (bestaande uit € 25,-- materiële schade en € 300,-- immateriële schade);

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 515,68 (bestaande uit

€ 215,68 materiële schade en € 300,-- immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 515,68 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2025);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 515,68 (zegge: vijfhonderdvijftien euro en achtenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 5 (vijf) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

opheffing geschorst bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Heblij, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Parketnummer 08-201486-25

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025306525. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

- Feit 1

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 januari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 1 juli 2025, pagina 19-22;

Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 4? Sv, opgesteld door R. de Groot, traumachirurg, van 1 juli 2025, op pagina 26-27;

Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 5? Sv, te weten het verzoek tot schadevergoeding van 29 december 2025, met bijlagen, van [slachtoffer 1].

- Feit 2 primair

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 januari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 2 juli 2025, pagina 33-36;

Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 4? Sv, opgesteld door R. de Groot, traumachirurg, van 30 juni 2025, op pagina 47-49;

Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 5? Sv, te weten het verzoek tot schadevergoeding van 18 december 2025, met bijlagen, van [slachtoffer 2].

Parketnummer 08-084056-25

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025114839. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 13 maart 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 6-7:

Op donderdag 13 maart 2025 was ik aan de Zweringweg in Enschede ter hoogte van de Primera. Tegenover de Primera zag ik een personenauto geparkeerd in een parkeervak. Vervolgens zag ik dat de bestuurder uitstapte en zag en voelde ik dat hij mij vastpakte ter hoogte van mijn kraag. Ik voelde een krachtige duw waardoor ik door de lucht vloog en met mijn buik op de grond terechtkwam. Ik voelde pijn in mijn linkerhand en zag dat deze volledig onder het bloed zat.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen van 13 maart 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 12-13:

Naar aanleiding van een melding van een mishandeling heb ik camerabeelden bekeken bij de Primera aan de Zweringweg te Enschede. Ik zag dat de vrouw langs een donkergrijze Peugeot met rode buitenspiegels liep. Ik zag dat de er twee mannen uit de auto stapte en in de richting van de vrouw liepen. Ik zag dat de bestuurder van de auto de vrouw vastpakte aan haar arm en haar op de grond gooide. Ik zag dat de vrouw los van de grond kwam en dat zij op de grond viel. Ik zag dat de er twee mannen uit de auto stapte en in de richting van de vrouw liepen. Ik zag dat de bestuurder van de auto de vrouw vastpakte aan haar arm en haar op de grond gooide. Ik zag dat de vrouw los van de grond kwam en dat zij op de grond viel.

3.

Het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 23-24:

Ik bekeek de beelden van de poging diefstal met geweld c.q mishandeling gepleegd op

13 maart 2025 aan de Zweringsweg te Enschede. De beelden zijn in dit proces al beschreven door een collega. Ik doe daarop nog een aanvulling. Op 00:55 seconden is te zien dat de verdachte het slachtoffer naar de grond smijt.

4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik stond op 13 maart 2025 geparkeerd bij de Primera aan de Zweringsweg in Enschede. Het is mijn auto die op de beelden staat. Ik heb de vrouw vastgepakt.

Parketnummer 08-100140-25

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024222125. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 januari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

Het proces-verbaal van bevindingen van 15 mei 2024, pagina 4-7.