De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 19 januari 2026 in de zaak onder parketnummer 08-201486-25, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
08-201486-25, feit 1:
[slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel als gevolg;
08-201486, feit 2:
[slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Dit is subsidiair ten laste gelegd als een poging daartoe;
08-084056-25:
[slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]) heeft mishandeld;
08-100140-25:
[slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5]) heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.
Voluit luiden de tenlasteleggingen aan verdachte, dat:
1.
hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Enschede, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (met kracht) vast te pakken en/of naar de grond te duwen waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;
2.
hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Enschede, aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing, een scheur in zijn onderlip, zwaar geneusde knie, een of meerdere kneuzingen in zijn gezicht, bovenlijf en/of onderrug heeft toegebracht door:
- die [slachtoffer 2] (met kracht) een of meerdere malen op/tegen het gezicht/hoofd, te slaan, te stompen en/of te stoten, waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen en/of
- ( terwijl voornoemde [slachtoffer 2] op de grond lag) die [slachtoffer 2] een of meerdere malen op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam, te trappen en/of te schoppen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers heeft hij
- die [slachtoffer 2] (met kracht) een of meerdere malen op/tegen het gezicht/hoofd, geslagen en/of gestompt en/of gestoten, waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen en/of
- ( terwijl voornoemde [slachtoffer 2] op de grond lag) die [slachtoffer 2] een of meerdere malen op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam, getrapt en/of geschopt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
08-084056-25
hij op of omstreeks 13 maart 2025 te Enschede, althans in Nederland, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3], meermalen, althans eenmaal, (met kracht) te duwen en/of richting de grond te gooien;
08-100140-25
hij op of omstreeks 15 mei 2024 te Enschede [slachtoffer 5] heeft mishandeld door hem in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam, te stompen (waarbij die [slachtoffer 5] bewusteloos ten val is gekomen), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een jukbeenbreuk en/of bloeduitstortingen in de schedel ten gevolge heeft gehad.
7
De schade van benadeelden
7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
[slachtoffer 1] (parketnummer 08-201486-25, feit 1)
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.616,01, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- eigen risico 2025 € 376,51
- fysiotherapie € 625,50
- daggeldvergoeding van het ziekenhuis € 114,--
- toekomstige schade € 1.000,--.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 3.500,-- gevorderd.
[slachtoffer 2] (parketnummer 08-201486-25, feit 2 primair)
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 7.998,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- eigen risico 2025 € 385,--
- medische hulpmiddelen € 60,67
- medicatie € 4,07
- fysiotherapie € 308,50
- daggeldvergoeding ziekenhuis € 190,--
- toekomstige schade € 1.000,--
- reiskosten € 50,47
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 6.000,-- gevorderd.
[slachtoffer 3] (parketnummer 08-084056-25)
[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 840,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- onherstelbaar beschadigde bril € 189,--
- onherstelbaar beschadigde jas € 24,56
- eigen bijdrage zorgkosten (tetanusinjectie) € 27,12
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 600,-- gevorderd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] op het standpunt gesteld dat het bedrag dat is gevorderd ter vergoeding van de onherstelbaar beschadigde bril kan worden toegewezen tot een bedrag van € 164,--. Dit is gelegen in het feit dat in de schadepost ook de kosten van de premie (€ 25,--) zijn meegenomen, hetgeen volgens de officier van justitie geen rechtstreekse schade betreft. Voor het overige heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen voor toewijzing vatbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot vergoeding van de kosten van de fysiotherapie en de daggeldvergoeding van het ziekenhuis, nu niet is aangetoond dat deze kosten niet zijn gedekt door de zorgverkering. Dit geldt – zo begrijpt de rechtbank – ook voor de door [slachtoffer 2] gevorderde vergoeding van de medische hulpmiddelen, medicatie, fysiotherapie en daggeldvergoeding van het ziekenhuis. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dienen ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vorderingen voor zover deze zien op de gevorderde vergoeding voor toekomstige schade, omdat dit deel van de vorderingen niet voldoende is onderbouwd en aannemelijk is gemaakt. De raadsman heeft aangevoerd dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] eigen schuld hebben aan de schade. Gelet daarop dient het door hen gevorderde bedrag ter vergoeding van immateriële schade te worden gematigd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 3] ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor de bril en de jas niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat uit het dossier niet blijkt dat de jas onherstelbaar is beschadigd en het onbegrijpelijk is dat er vergoeding voor nieuwe glazen wordt gevraagd terwijl wordt gesteld dat het montuur van de bril vernield zou zijn. Ook wordt de nieuwprijs en niet de dagwaarde van de bril gevorderd. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van de tetanusinjectie heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de gevorderde vergoeding van immateriële schade in sterke mate te matigen.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
- Materieel
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder parketnummer 08-201486, feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten, behoudens de toekomstige schade, zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 1.116,01, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De toekomstige opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat onvoldoende is onderbouwd waaruit deze toekomstige schade bestaat, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden.
De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
- Immaterieel
Op grond van artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, nu zij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, zoals hiervoor reeds omschreven. Gelet op de gegeven onderbouwing en in aansluiting op hetgeen in vergelijkbare zaken is toegewezen, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 3.500,--, billijk. De rechtbank zal het gevorderde bedrag derhalve volledig toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
- Eigen schuld
De rechtbank zal op de toe te wijzen vergoeding van de schade geen eigen schuld-correctie toepassen in de zin van het bepaalde in artikel 6:101 BW. Er is, anders dan de verdediging stelt, niet gebleken van een verwijtbare gedraging aan de zijde van de benadeelde partij waardoor haar schade (mede) zou zijn ontstaan.
- Materieel
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder parketnummer 08-201486, feit 2 primair bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten, behoudens de toekomstige kosten, zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 998,71, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De toekomstige opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat omdat onvoldoende is onderbouwd waaruit deze toekomstige schade bestaat, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden.
De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
- Immaterieel
Op grond van artikel 6:106, onder b, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, nu hij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. [slachtoffer 2] heeft kneuzingen aan zijn kaak, ribben en rug opgelopen. Er is daarnaast sprake van complex bandletsel van de knie, waarvoor eventueel een hersteloperatie geïndiceerd is. Ook heeft [slachtoffer 2] littekenweefsel op zijn lip. Gelet op de gegeven onderbouwing en in aansluiting op hetgeen in vergelijkbare zaken is toegewezen, stelt de rechtbank de schade naar billijkheid vast op € 4.500,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
- Eigen schuld
Een omstandigheid waardoor de schadevergoedingsverplichting van verdachte kan worden verminderd is gelegen in de eigen schuld van de benadeelde partij in de zin van artikel 6:101 BW. Bij beantwoording van de vraag of en in hoeverre eigen schuld van de benadeelde partij leidt tot vermindering van de schadevergoedingsplicht moet allereerst worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, die benadeelde partij heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Vervolgens volgt een beoordeling van de mate van verwijtbaarheid van zowel de een als de ander met daarbij, indien van toepassing, een billijkheidscorrectie. Wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval kan de billijkheid immers een andere verdeling eisen dan de maatstaf van wederzijdse causaliteit met zich zou brengen. Bij deze billijkheidscorrectie mag ook de ernst van het letsel van de benadeelde partij worden betrokken.
De rechtbank is van oordeel dat de door [slachtoffer 2] geleden schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan hemzelf kan worden toegerekend, zodat sprake is van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. [slachtoffer 2] heeft immers, nadat er tussen hem en verdachte een verkeersconflict was ontstaan, de achtervolging ingezet en de auto van verdachte uiteindelijk klemgereden. Vervolgens is [slachtoffer 2] als eerste uitgestapt en heeft hij de fysieke confrontatie als eerste opgezocht, door de verdachte een duw te geven. Het gedrag van [slachtoffer 2] heeft dan ook bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Naar het oordeel van de rechtbank is het ontstaan van de schade voor 50% aan de benadeelde partij toe te rekenen, en dus ook voor 50% aan de verdachte. Gelet op het daaropvolgende, bewezenverklaarde handelen van verdachte, ziet de rechtbank aanleiding om een billijkheidscorrectie toe te passen. [slachtoffer 2] heeft weliswaar de confrontatie met de verdachte opgezocht, maar verdachte heeft vervolgens zeer fors geweld toegepast waardoor [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ook op het moment dat [slachtoffer 2] reeds weerloos op de grond lag, is verdachte doorgegaan met het plegen geweld. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist, dat de schade in overwegende mate voor rekening van de verdachte blijft. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering voor 80%, te weten een (afgerond) bedrag van € 4.398,97, zal worden toegewezen en voor het resterende deel zal worden afgewezen.
- Materieel
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder parketnummer 08-084056-25 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de onder schadepost “onherstelbaar beschadigde bril” ondergebrachte kosten van de premie, een bedrag van € 25,--, geen rechtstreekse schade betreft en zal de vordering in zoverre afwijzen. De overig opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 215,68, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
- Immaterieel
Op grond van artikel 6:106, onder b, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, nu zij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Na de mishandeling had zij een wond op haar duim en schaafwonden op haar knieën. Gelet op de gegeven onderbouwing en in aansluiting op hetgeen in vergelijkbare zaken is toegewezen, stelt de rechtbank de schade naar billijkheid vast op € 300,--. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht. Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met het hieronder genoemde aantal dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De rechtbank zal de betalingsverplichtingen tevens vermeerderen met de wettelijke rente. sinds de dag waarop de bewezen verklaarde feiten jegens de benadeelde partijen zijn gepleegd (voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is dat 29 juni 2025, voor [slachtoffer 3] is dat 13 maart 2025), tot die van de voldoening.
- verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08-201486-25 feit 1 en feit 2 primair, onder parketnummer 08-084056-25 en parketnummer 08-100140-25 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
08-201486-25, feit 1
het misdrijf: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
08-201486-25, feit 2 primair
het misdrijf: zware mishandeling;
08-084056-25 en 08-100140-25
telkens het misdrijf: mishandeling.
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 (driehonderd) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 146 (honderdzesenveertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- zich laat behandelen door AFPN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de
reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- meewerkt aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 1964, en [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 1975, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
schadevergoeding
vordering [slachtoffer 1] (parketnummer 08-201486-25, feit 1)
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4.616,01 (bestaande uit € 1.116,01 materiële schade en € 3.500,-- immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 4.616,01 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.616,01, (zegge: vierduizend zeshonderdzestien euro en één cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 46 (zesenveertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 1.000,-- (bestaande uit materiële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
vordering [slachtoffer 2] (parketnummer 08-201486-25, feit 2 primair)
- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 2.599,74 (bestaande uit € 199,74 materiële schade en € 2.400,-- immateriële schade)
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4.398,97 (bestaande uit € 798,97 materiële schade en € 3.600,-- immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 4.398,97 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.398,97, (zegge: vierduizend driehonderdachtennegentig euro en zevenennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 43 (drieënveertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 1.000,-- (bestaande uit materiële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
vordering van [slachtoffer 3] (parketnummer 08-084056-25)
- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 325,-- (bestaande uit € 25,-- materiële schade en € 300,-- immateriële schade);
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 515,68 (bestaande uit
€ 215,68 materiële schade en € 300,-- immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 515,68 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 515,68 (zegge: vijfhonderdvijftien euro en achtenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 5 (vijf) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
opheffing geschorst bevel voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Heblij, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Parketnummer 08-201486-25
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025306525. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
- Feit 1
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 januari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 1 juli 2025, pagina 19-22;
Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 4? Sv, opgesteld door R. de Groot, traumachirurg, van 1 juli 2025, op pagina 26-27;
Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 5? Sv, te weten het verzoek tot schadevergoeding van 29 december 2025, met bijlagen, van [slachtoffer 1].
- Feit 2 primair
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 januari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 2 juli 2025, pagina 33-36;
Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 4? Sv, opgesteld door R. de Groot, traumachirurg, van 30 juni 2025, op pagina 47-49;
Een geschrift als bedoeld in artikel 344 eerste lid, onder 5? Sv, te weten het verzoek tot schadevergoeding van 18 december 2025, met bijlagen, van [slachtoffer 2].
Parketnummer 08-084056-25
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025114839. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 13 maart 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 6-7:
Op donderdag 13 maart 2025 was ik aan de Zweringweg in Enschede ter hoogte van de Primera. Tegenover de Primera zag ik een personenauto geparkeerd in een parkeervak. Vervolgens zag ik dat de bestuurder uitstapte en zag en voelde ik dat hij mij vastpakte ter hoogte van mijn kraag. Ik voelde een krachtige duw waardoor ik door de lucht vloog en met mijn buik op de grond terechtkwam. Ik voelde pijn in mijn linkerhand en zag dat deze volledig onder het bloed zat.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van 13 maart 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 12-13:
Naar aanleiding van een melding van een mishandeling heb ik camerabeelden bekeken bij de Primera aan de Zweringweg te Enschede. Ik zag dat de vrouw langs een donkergrijze Peugeot met rode buitenspiegels liep. Ik zag dat de er twee mannen uit de auto stapte en in de richting van de vrouw liepen. Ik zag dat de bestuurder van de auto de vrouw vastpakte aan haar arm en haar op de grond gooide. Ik zag dat de vrouw los van de grond kwam en dat zij op de grond viel. Ik zag dat de er twee mannen uit de auto stapte en in de richting van de vrouw liepen. Ik zag dat de bestuurder van de auto de vrouw vastpakte aan haar arm en haar op de grond gooide. Ik zag dat de vrouw los van de grond kwam en dat zij op de grond viel.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 23-24:
Ik bekeek de beelden van de poging diefstal met geweld c.q mishandeling gepleegd op
13 maart 2025 aan de Zweringsweg te Enschede. De beelden zijn in dit proces al beschreven door een collega. Ik doe daarop nog een aanvulling. Op 00:55 seconden is te zien dat de verdachte het slachtoffer naar de grond smijt.
4.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik stond op 13 maart 2025 geparkeerd bij de Primera aan de Zweringsweg in Enschede. Het is mijn auto die op de beelden staat. Ik heb de vrouw vastgepakt.
Parketnummer 08-100140-25
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024222125. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 januari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Het proces-verbaal van bevindingen van 15 mei 2024, pagina 4-7.