Strafrecht overig
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7263 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 7 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-7263
Zaakgegevens
Op 7 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2026
- Datum publicatie
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- 02-282691-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7263
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Verdachte wilde niet weg op het politiebureau, omdat hij op straat leeft en wilde blijven slapen. Eenmaal buiten stak hij een winddoek in brand dat aan het hek van het politiebureau vast zat en werd vervolgens inderdaad weer aangehouden. De daadwerkelijke schade is beperkt gebleven tot (oppervlakkige) schade aan het hekwerk, een lantaarnpaal en een aantal struiken. Oplegging van een gevangenisstraf van 84 dagen met aftrek van voorarrest. De gevangenisstraf is gelijk aan de duur van het voorarrest, zodat verdachte feitelijk niet meer naar de gevangenis hoeft.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-282691-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 augustus 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
1 Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juli 2026. Tegen verdachte is verstek verleend. De officier van justitie mr. J.J. Peerboom heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte brand heeft gesticht door een winddoek aan te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Subsidiair is dit tenlastegelegd als vernieling van het winddoek.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde brandstichting wettig en overtuigend bewezen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
primair
op 22 oktober 2025 te Breda opzettelijk brand heeft gesticht door met een aansteker een winddoek aan te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het hekwerk en een lantaarnpaal en bossages, te duchten was.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 84 dagen met aftrek van voorarrest.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte is in het verleden al vaker veroordeeld, vooral voor vermogensdelicten en geweld. Nadat hij op 22 oktober 2025 was aangehouden en gehoord voor een feit eerder die dag, werd hij vroeg in de avond vrijgelaten uit een Bredaas politiebureau. Verdachte wilde echter niet weg, omdat hij op straat leeft, en wilde blijven slapen. Als het moest ging hij wel een winkeldiefstal plegen om weer aangehouden te worden, zei hij tegen een verbalisant. Eenmaal buiten stak hij echter een winddoek in brand dat aan het hek van het politiebureau vast zat en werd vervolgens inderdaad weer aangehouden. Uit het dossier blijkt niet dat het vuur is geblust, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat het uit zichzelf is uitgegaan. De daadwerkelijke schade is beperkt gebleven tot (oppervlakkige) schade aan het hekwerk, een lantaarnpaal en een aantal struiken.
Alles afwegende, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van 84 dagen passend en geboden, met aftrek van het voorarrest. Dat voorarrest heeft ook 84 dagen geduurd, zodat verdachte feitelijk niet meer naar de gevangenis hoeft.
7 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.
8 Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 84 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.B. Gijselman, voorzitter,
en mrs. L.W. Louwerse en R.J.H. de Brouwer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.T.C.J.M. de Jongh, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 augustus 2026.