Strafrecht overig

Vrijspraak voor belaging. Niet voldaan de criteria voor stelselmatigheid. Benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 12 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
02-252443-25
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:7545
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak voor belaging. Niet voldaan de criteria voor stelselmatigheid. Benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02-252443-25

vonnis van de meervoudige kamer van 12 augustus 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres]

raadsman mr. R.S. Vriend, advocaat te Middelburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] behandeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 1 juni 2025 tot en met 23 augustus 2025 te [plaats] schuldig heeft gemaakt aan belaging van [benadeelde] .

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging van [benadeelde] . Voor zover nodig gaat de rechtbank op het standpunt van de officier van justitie in onder het kopje ‘het oordeel van de rechtbank’.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van verdachte van het tenlastegelegde. Op basis van het dossier ontbreekt de wederrechtelijkheid van het handelen, de stelselmatigheid in het contact én het inbreuk maken op iemands persoonlijke levenssfeer. Verdachte heeft daarbij dit ook nimmer gedaan met het oogmerk om aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Wat in het dagelijks taalgebruik ‘stalking’ wordt genoemd, heet in het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) ‘belaging’. Daarvan is sprake als een verdachte wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Daarbij moet de verdachte het oogmerk hebben om die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De rechtbank stelt vast dat verdachte eerder is veroordeeld voor belaging van [benadeelde] , namelijk op 4 juni 2020. Bij die veroordeling is aan verdachte een contactverbod met o.a. [benadeelde] opgelegd alsmede een gebiedsverbod voor de straat waar [benadeelde] (destijds) woonde. Dat contact- en gebiedsverbod is op 1 juni 2025 geëindigd. Op 23 augustus 2025 heeft [benadeelde] opnieuw aangifte van belaging gedaan. Zij heeft hierover verklaard dat verdachte vanaf 1 juni 2025 bijna dagelijks bij haar in de straat is te zien. Ook heeft hij op 6 juni 2025 zijn auto pal voor haar deur geparkeerd, terwijl verdachte een paar straten verderop woont en daar een eigen parkeerplaats heeft. Hiervan zitten foto’s in het dossier. Verdachte heeft bekend dat hij zijn auto op 6 juni 2025 voor de deur van [benadeelde] heeft geparkeerd. Dit was eenmalig. Hij heeft verklaard dat de [straat] op zijn looproute naar het bos ligt en dat hij tot 7 juni 2025 via die route naar het bos is gegaan. Hij heeft ontkend verder in de [straat] te zijn geweest.

De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier de vereiste stelselmatigheid niet kan worden vastgesteld. De bijna dagelijkse aanwezigheid van verdachte in de [straat] waarover [benadeelde] heeft verklaard, volgt niet uit het dossier. Het dossier bevat slechts foto’s van de geparkeerde auto van verdachte op één dag. Verder bevat het dossier geen beeldmateriaal van bijvoorbeeld de ringdeurbel van [benadeelde] waarop te zien is op welke momenten verdachte daar zou zijn geweest, terwijl [benadeelde] de ringdeurbel in ieder geval sinds 6 juni 2025 heeft. Ook ontbreekt het aan getuigen. Weliswaar heeft de dochter van [benadeelde] verklaard dat zij niet thuis wil zijn omdat verdachte dan langs de woning loopt, maar dat is onvoldoende concreet om de stelselmatigheid te kunnen onderbouwen. Tot slot kan, gelet op de uitgebreidere en genuanceerdere verklaring van verdachte ter zitting, uit zijn antwoord tijdens het politieverhoor “dat is mijn looproute naar het bos, daar loop ik al 25 jaar” niet de conclusie worden getrokken dat daarmee de aangifte van [benadeelde] wordt bevestigd, dat hij daar elke dag was. De belaging kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 2.374,45 voor het ten laste gelegde feit. De schadevergoeding bestaat uit een bedrag van € 374,45 aan materiële schade en een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Boogert, voorzitter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 augustus 2026.

Mr. De Jonge is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2025 tot en met 23 augustus 2025 te [woonadres] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt

op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door zich veelvuldig/meermalen op te houden en/of te begeven in de straat alwaar die [benadeelde] woont ( [straat] te [woonadres] ) en/of (hierbij) veelvuldig/meermalen langs de woning van die [benadeelde] te lopen en/of rijden en/of diens, verdachtes, auto te parkeren in de nabijheid

van de woning van die [benadeelde] , met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

(art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht)