Strafrecht overig

Ontnemingsvonnis. Vordering toegewezen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 24 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
24 augustus 2026
Datum publicatie
24 augustus 2026
Zaaknummer
02-223465-25 ontneming
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:8138
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontnemingsvonnis. Vordering toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-223465-25

vonnis van de rechtbank d.d. 24 augustus 2026

in de ontnemingszaak tegen

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

Raadsvrouw mr. G. Konus, advocaat te Oosterhout.

1 De procedure

Betrokkene is op 24 augustus 2026 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, in de strafzaak met parketnummer 02-223465-25, veroordeeld voor het medeplegen van de (verlengde invoer) en de verkoop van cocaïne tot de in die uitspraak vermelde straf.

De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.

Er is geen schriftelijke voorbereidingsprocedure doorlopen. De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. E.H. Smale, alsmede de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 24 augustus 2026.

2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene zich onder meer schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne en de verkoop daarvan. Volgens de officier van justitie heeft betrokkene daarmee een voordeel behaald ter hoogte van naar schatting € 237.200,00. Dit bedrag is gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de politie van 2 april 2026. Tijdens het onderzoek ter zitting is gevorderd om het voordeel vast te stellen op € 237.200,00 en een betalingsverplichting tot dat bedrag op te leggen.

3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie te matigen tot het bedrag dat betrokkene erkent te hebben ontvangen, te weten € 40-50.000,00. Subsidiair is verzocht het voordeel te matigen met de nooit genoten blokken, een kostenaftrek voor [persoon 1] van totaal € 225.000,00 in plaats van € 75.000,00, en de vergoeding voor de verkoop van de ontvangen blokken door zijn medeverdachte.

4 Het oordeel van de rechtbank

4.1

Grondslag van de ontneming

De rechtbank hanteert als grondslag voor de beoordeling van de vordering artikel 36e, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Uit het tweede lid van artikel 36e Sr volgt dat de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan de veroordeelde die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit of andere strafbare feiten, indien er voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

Zoals hiervoor al is overwogen is betrokkene bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 augustus 2026 voor onder meer het medeplegen van de (verlengde) invoer van 300 kilogram cocaïne en de verkoop van cocaïne veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf. Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen 1 tot en met 26, zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, het oordeel dat betrokkene voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr heeft genoten.

4.2

De bewijsmiddelen

De rechtbank sluit voor het bewijs van de aannemelijkheid en de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel integraal aan bij de bewijsvoering en al hetgeen daaromtrent is overwogen door de rechtbank in het hiervoor genoemde vonnis in de strafzaak van betrokkene. In aanvulling hierop wordt voor het bewijs gebezigd de rapportage van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.3

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Berekening politie

Voor de berekening van het verkregen wederrechtelijk voordeel gaat de rechtbank, net zoals de officier van justitie, uit van de berekening van de politie in het ontnemingsrapport.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de politie in het ontnemingsrapport als volgt berekend. Uit de verklaringen van betrokkene volgt dat er drie transporten van ieder

100 kilogram cocaïne zijn geslaagd. Voor elk geslaagd transport van 100 kilogram cocaïne werd door de Colombianen een vergoeding uitgekeerd van 20 kilogram cocaïne. Deze

20 kilogram werd in gelijke delen verdeeld tussen [persoon 2] , [persoon 3] en betrokkene. Dit komt, in het voordeel van betrokkenen berekend, neer op 6 kilogram per persoon per transport. [persoon 1] deed niet mee in de verdeling van de 20 kilogram. Hij kreeg een vast bedrag van in totaal € 75.000,00 voor zijn werkzaamheden. Uit de verklaringen van betrokkene volgt dat deze kosten werden betaald door [persoon 2] , [persoon 3] en betrokkene.

Het Excelbestand ‘ [bestand] ’ dat in de back-up van betrokkene werd aangetroffen, bevat financiële gegevens die betrekking hebben op de voorraad en verkoop van de cocaïne. Uit deze gegevens volgt dat de verkoopprijzen van de cocaïne uiteenliepen van

€ 12.500,00 tot € 18.000,00 per kilogram cocaïne. De politie heeft in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in het voordeel van de betrokkenen, de gemiddelde verkoopprijs aangehouden die volgt uit de verklaring van betrokkene, namelijk € 13.500,00 euro per kilogram cocaïne.

Uit de verklaring van betrokkene blijkt tevens dat een commissie werd ontvangen voor de verkoop van de cocaïne van de Colombiaan [persoon 4] . Deze commissie zou ontvangen zijn door [persoon 2] , [persoon 3] en betrokkene. De verklaring wordt gestaafd door de financiële gegevens in het Excel-bestand ‘ [bestand] xlsx’. Uit het voornoemde bestand blijkt een totale commissie van € 57.600,00, wat neerkomt op € 19.200,00 per persoon.

Het voordeel bedraagt op basis van de berekening van de politie:

• 3 transporten;

• 6 kilogram cocaïne per persoon per transport;

• Prijs per kilogram cocaïne: € 13.500,00;

• Kosten voor [persoon 1] : € 75.000,00 voor de 3 transporten;
• Totale opbrengst: € 729.000,00

(3 transporten x 6 kilogram x € 13.500,00 x 3 betrokkenen)

• Totale kosten: € 75.000,00

• Commissie voor de verkoop van cocaïne van de Colombiaan [persoon 4] : € 57.600,00

Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan dan als volgt worden vastgesteld:

Opbrengst (€ 243.000,00 (3 x 6 x € 13.500) x 3 betrokkenen) € 729.000,00

-/- Kosten (€ 75.000,00 voor 3 transporten) € 75.000,00

Voordeel cocaïne € 654.000,00 (€ 218.000,00 per betrokkene)

Voordeel commissie € 57.600,00 (€ 19.200,00 per betrokkene)

Wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene:

Deel cocaïne van de groep € 218.000,00

+ Commissie verkoop van de Colombiaan [persoon 4] € 19.200,00

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 237.200,00

Gestolen cocaïne

Door betrokkene en zijn raadsvrouw is aangevoerd dat de door betrokkene ontvangen cocaïne is gestolen en hij daarom geen of althans veel minder voordeel heeft gekregen dan is berekend.

De rechtbank gaat daar niet in mee en overweegt daartoe als volgt. De beloning voor de import van de cocaïne bestond uit blokken cocaïne, die per stuk een gemiddelde waarde van € 13.500,- vertegenwoordigden. Het vermogen van betrokkene is gestegen op het moment dat hij de blokken cocaïne ontving. De omstandigheid dat betrokkene, naar hij stelt, vervolgens is beroofd van de door hem ontvangen partij cocaïne, kan niet leiden tot een vermindering van dit verkregen voordeel. Deze omstandigheid staat derhalve de toewijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet in de weg. (Zie ECLI:NL:HR:2004:AR3721)

4.4

Vaststelling ontnemingsbedrag

De rechtbank stelt het door betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel vast op € 237.200,00.

4.5

Vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank stelt de betalingsverplichting vast op hetzelfde bedrag als het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er zijn geen feiten of omstandigheden die tot een andere afweging moeten leiden. De betalingsverplichting wordt vastgesteld op een bedrag van € 237.200,00.

5 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

€ 237.200,00 (tweehonderdzevenendertigduizend tweehonderd euro);

- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 237.200,00 (tweehonderdzevenendertigduizend tweehonderd euro), ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1095 (duizend vijfennegentig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Donders, voorzitter, mr. G.M.J. Kok en

mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Kroes en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026.