Strafrecht overig

(552a Sv 94 Sv) deels N-O deels ongegrond DEF

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 juni 2023

Zaakgegevens

Op 21 juni 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
21 juni 2023
Datum publicatie
10 oktober 2023
Zaaknummer
23-004064
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2023:6987
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

(552a Sv 94 Sv) deels N-O deels ongegrond DEF

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Locatie Breda

parketnummer: 02-065541-20

rk.nummer: 23-004064

Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager]

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Sovjet-Unie)

wonende op het [woonadres] te België

woonplaats kiezende ten kantore van mr. L.A. Sjadijeva, advocaat te Rotterdam op het adres Boompjes 404, 3011 XZ

hierna te noemen: klager.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • de kennisgevingen van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 10 maart 2020 onder klager in beslag zijn genomen: een personenauto van het merk Mercedes, kleur grijs en voorzien van het [kenteken 1] en een personenauto van het merk Mazda, type CX-5 en voorzien van het [kenteken 2];

  • het klaagschrift, ingediend op 13 februari 2023 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;

  • het verweerschrift van de officier van justitie en

  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.

Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 7 juni 2023. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, klager en mr. L.A. Sjadijeva als raadsvrouw van klager.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat klager de officier van justitie reeds meermaals heeft verzocht over te gaan tot teruggave van de inbeslaggenomen personenauto’s en dat klager nog steeds in afwachting is van een reactie. Klager stelt dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave van de voertuigen gelet op het tijdsverloop. Tevens is van een lopend onderzoek geen sprake.

In raadkamer heeft de raadsvrouw in aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat de officier van justitie ten aanzien van de Mercedes reeds een beslissing tot teruggave heeft genomen. De raadsvrouw voert aan dat ook ten aanzien van de Mazda tot teruggave moet worden beslist. Deze is onder dezelfde omstandigheden in beslag is genomen als de Mercedes. In de Mazda zijn geen goederen aangetroffen die te koppelen zijn aan een strafbaar feit en ook het voertuig zelf was niet bij enig strafbaar feit betrokken. Klager heeft weliswaar met het voertuig rondgereden in de buurt van een loods, maar de gelegde relatie tussen het voertuig en hetgeen in die loods is aangetroffen, komt niet in het dossier naar voren. De raadsvrouw voert aan dat het enkele feit dat de Mazda is voorzien van een verborgen ruimte nog niet maakt dat het voertuig betrokken is bij een strafbaar feit. Bovendien betreft een verborgen ruimte op zichzelf geen strafbaar feit.

In raadkamer heeft klager verklaard dat hij reeds schadeloos is gesteld voor de Mercedes. Het klopt dat de Mazda is voorzien van een kleine verborgen ruimte, maar hij heeft van deze verborgen ruimte geen gebruik gemaakt.

De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij het schriftelijke standpunt dat het beslag op de Mazda gehandhaafd dient te blijven. De Mazda is voorzien van een verborgen ruimte en gebruikt bij het plegen van strafbare feiten, namelijk het vervoeren van grote hoeveelheden hennep. Het klopt dat al is overgegaan tot teruggave van de Mercedes aan klager dan wel schadeloosstelling.

2 De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.

Het klaagschrift is tijdig ingediend. In zoverre het klaagschrift zich richt tegen de inbeslagname van de personenauto van het merk Mercedes, kleur grijs, en voorzien van het [kenteken 1], stelt de rechtbank vast dat dit beslag reeds is geëindigd. De rechtbank zal klager in zoverre niet ontvankelijk verklaren in zijn beklag.

Bij de beoordeling van het klaagschrift voor zover gericht tegen de inbeslagname van de Mazda stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:

a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,

b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.

De rechtbank stelt vast dat de Mazda is voorzien van een verborgen ruimte en dat klager dat wist. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat het enkel aanwezig hebben van een verborgen ruimte in een voertuig geen strafbaar feit oplevert. Ten tijde van de inbeslagname zijn er geen verboden goederen in de verborgen ruimte aangetroffen, maar in een tuinhuis en loods in de nabijheid van het voertuig zijn twee automatische vuurwapens, een tas met hennep en een groot geldbedrag aangetroffen. De verborgen ruimte in het voertuig is bij uitstek geschikt voor het vervoer van bijvoorbeeld drugs en/of enig uit misdrijf afkomstig geld. Het gaat niet om een voertuig met een verborgen ruimte die is aangetroffen bij een reguliere (verkeers)controle, maar om een voertuig dat in beslag is genomen in het kader van een verdenking van drugshandel, verboden wapenbezit en witwassen. Gelet daarop is het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring, dan wel onttrekking aan het verkeer, van de in beslag genomen personenauto zal beslissen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag op de Mazda ongegrond verklaren.

3 De beslissing

De rechtbank verklaart

  • het klaagschrift voor zover gericht tegen de inbeslagname van de Mercedes niet ontvankelijk;

  • het klaagschrift voor zover gericht tegen de inbeslagname van de Mazda ongegrond.

Deze beslissing is op 21 juni 2023 gegeven door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2023.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering)