Strafrecht overig

Verzoekschrift schadevergoeding afgewezen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 maart 2025

Zaakgegevens

Op 4 maart 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
4 maart 2025
Datum publicatie
14 maart 2025
Zaaknummer
25-002257
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2025:1509
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoekschrift schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats Middelburg

parketnummer : 02-336052-24

raadkamernummer : 25-002257

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[de verzoekster] ,

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] ,

wonende op het [adres] ,

hierna te noemen: de verzoekster.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

? het op 15 november 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:

- € 1.400,73, € 1.400,73, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;

  • de kennisgeving sepot van 23 oktober 2024;

  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;

  • de overige stukken in het raadkamerdossier.

Op 18 februari 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en verzoekster gehoord.

Verzoekster heeft aangevoerd dat zij vanwege de gerezen verdenking tegen haar en haar partner een beroep moest doen op juridische bijstand waardoor bovengenoemde kosten zijn gemaakt. Verzocht wordt de vergoeding van deze kosten toe te wijzen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen ruimte bestaat om tot toewijzing van de vordering te komen, omdat het gaat om een bewijsbaar strafbaar feit. Verzoekster en haar partner zijn niet ten onrechte als verdachten aangemerkt en hebben de kosten voor rechtskundige bijstand aan zichzelf te wijten.

2 De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of voor het laatst werd vervolgd.

Op grond van artikel 530 Sv kan een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.

Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.

Het Openbaar Ministerie is op 23 oktober 2024 overgegaan tot een beleidssepot vanwege inmiddels gewijzigde omstandigheden. In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.

Verzoekster werd verdacht van verduistering. Er is een aangifte waaruit volgt dat verzoekster en haar partner naar eigen zeggen goederen in onderpand uit een vakantiehuis hadden meegenomen omdat zij ontevreden waren over een defecte sauna. Met dit onderpand hoopten zij het totaalbedrag van het door hen geboekte verblijf terug te krijgen. Door het wegnemen van de goederen heeft de verzoekster de verdenking en de gemaakte kosten voor de rechtsbijstand aan zichzelf te wijten. De rechtbank acht geen gronden van billijkheid aanwezig om tot toewijzing van de kosten rechtsbijstand te komen. De rechtbank zal het verzochte bedrag aan kosten rechtsbijstand dan ook afwijzen.

3 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af.

Deze beslissing is op 4 maart 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis en mr. J. van Eekelen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 maart 2025.

Mr. Fanis en mr. Van Eekelen zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.