Strafrecht overig
Verzoekschrift schadevergoeding ex art. 530 Sv niet-ontvankelijk.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 april 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:2547 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 15 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/raadkamer/ecli-nl-rbzwb-2025-2547
Zaakgegevens
Op 15 april 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 15 april 2025
- Datum publicatie
- 28 april 2025
- Zaaknummer
- RK 25-003939
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- RaadkamerRaadkamerEen zitting die niet openbaar is, bijvoorbeeld over voorlopige hechtenis of een klacht over niet-vervolging.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2547
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoekschrift schadevergoeding ex art. 530 Sv niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 96-245098-23
raadkamernummer : 25-003939
datum : 1 april 2025
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster],
geboren op [datum] 2001 te [plaats] ([land]),
wonende op het [woonadres],
hierna te noemen: de verzoekster.
1 De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
? het op 6 februari 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
-
€ 50,00, voor vergoeding van reiskosten;
-
€ 126,00, voor vergoeding van inkomstenderving;
-
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
-
de aantekening van het mondelinge vonnis van de kantonrechter van 7 augustus 2024 waarbij verzoekster is vrijgesproken;
-
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
-
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 1 april 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie mr. C.P.G. Tax gehoord.
Verzoekster is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Verzoekster heeft zich schriftelijk kenbaar gemaakt dat zij op 6 februari 2025 kennis heeft genomen van het vonnis, reden waarom zij niet eerder een verzoekschrift heeft ingediend. Voorts stelt verzoekster zich op het standpunt dat zij kosten heeft moeten maken dan wel heeft geleden ten behoeve van de strafzaak en de inhoudelijke behandeling daarvan en dat deze kosten voor toewijzing vatbaar zijn.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek nu het verzoek niet binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn is ingediend.
2 De beoordeling
De wettelijke termijn voor het instellen van een verzoekschrift op grond van artikel 530 Sv is drie maanden nadat het vonnis onherroepelijk is geworden. Uit de aantekening mondeling vonnis blijkt dat verzoekster op tegenspraak is vrijgesproken door de kantonrechter op 7 augustus 2024. Dit vonnis is op 21 augustus 2024 onherroepelijk geworden. Vanaf die datum is de indieningstermijn voor het verzoekschrift gaan lopen. Het verzoekschrift is pas op 6 februari 2025 ingediend. De rechtbank stelt vast dat het verzoekschrift niet binnen die termijn is ingediend. Gelet hierop verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoekschrift.
3 De beslissing
De rechtbank verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoekschrift.
Deze beslissing is op 15 april 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 15 april 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.