Strafrecht overig

klaagschrift gegrond. Derde belanghebbende is niet rechthebbende.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 mei 2026

Zaakgegevens

Op 20 mei 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
20 mei 2026
Datum publicatie
18 september 2026
Zaaknummer
25-031274
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:9035
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

klaagschrift gegrond. Derde belanghebbende is niet rechthebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats Breda

raadkamernummer : 25-031274

datum : 20 mei 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klaagster] ,

geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ,

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda (Duivelsbruglaan 22, 4835 JE Breda),

hierna te noemen: klaagster.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 4 december 2026 ter griffie van deze rechtbank;

  • de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 2 oktober 2025 onder klaagster in het strafvorderlijk onderzoek tegen haar in beslag zijn genomen:

- ketting (parelketting in klein bruin zakje);
- horloge, merk Ancre;
- horloge, merk Exactus 25 Jewels, goudkleurig;
- horloge, merk Horloge, grijs, Orius quartz;
- horloge, merk Velona;
- horloge, merk Emko, goudkl;
- horloge, merk Rewi 3022w;
- sieraad, bandjes/sluiting/klok;
(hierna: de sieraden en horloges);

  • de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 16 april 2026 en

  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.

Op 8 mei 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn gehoord de officier van justitie mr. C.P.G. Tax, klaagster en mr. R.E. Drenth als raadsman van klaagster.

De belanghebbenden [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klaagster. 90% van de inbeslaggenomen sieraden reeds aan klaagster is teruggeven. Het klaagschrift ziet enkel nog op de sierraden waarvan door het Openbaar Ministerie wordt gesteld dat deze niet aan klaagster toebehoren, maar aan de in haar ogen rechthebbende [belanghebbende 2] . Het zou gaan om een bruin doosje met Pieten symbooltje, een parelketting en een scheerdoosje met blauwe juweeltjes en met een hangertje van een ram erin. Volgens [belanghebbende 2] zouden deze sieraden van haar inmiddels overleden ouders zijn. Deze stelling wordt echter onvoldoende onderbouwd. Zo kan [belanghebbende 2] geen foto’s van de sieraden overleggen en wordt de parelketting niet nader door haar gespecificeerd. Bij deze stand van zaken dienen de sieraden te worden teruggegeven aan klaagster.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie. Bij de huidige stand van zaken ligt teruggave van de herkende sieraden aan de rechtmatige eigenaar in de rede en dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard. Klaagster is aangemerkt als verdachte van heling. De verwachting is dat het einddossier binnenkort gereed zal zijn en er een beoordeling zal volgen. Bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak kan worden beoordeeld aan wie de sieraden nu daadwerkelijk toebehoren, waarbij niet is uitgesloten dat de sieraden alsnog teruggegeven kunnen worden aan klaagster.

2 De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

De rechtbank begrijpt uit de onderliggende stukken en het standpunt van de officier van justitie dat is besloten tot teruggave van de in beslag genomen sieraden en horloges aan klaagster, met uitzondering van de sieraden die volgens [belanghebbende 2] toebehoren aan haar inmiddels overleden ouders: een bruin doosje met Pieten symbooltje, een parelketting en een scheerdoosje met blauwe juweeltjes en een hangertje van een ram erin.

Voor zover het klaagschrift zich richt tegen het beslag op de sieraden en de horloges waarvan de eigendom door het Openbaar Ministerie kennelijk niet wordt betwist, stelt de rechtbank vast dat het beslag daarop is geëindigd, nu is besloten tot teruggave van deze sieraden en horloges aan klaagster. De rechtbank zal klaagster voor dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaren in haar beklag. Het klaagschrift ziet thans nog op een bruin doosje met Pieten symbooltje, een parelketting en een scheerdoosje met blauwe juweeltjes en een hangertje van een ram erin.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:

a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,

b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.

Op grond van artikel 116, eerste lid, Sv laat het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Dit betekent het volgende. Als het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij het voortduren van het beslag, dan moet de rechter ervan uitgaan dat het standpunt juist is. Dit geldt ook als het Openbaar Ministerie van oordeel is dat het voorwerp teruggegeven kan worden aan een ander dan klager. Dat laatste is in deze het geval, zodat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn.

Hoofdregel is vervolgens dat een voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen, in dit geval klaagster. Dat is slechts anders indien een ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Volgens het Openbaar Ministerie is dat [belanghebbende 2] .

De rechtbank zal moeten beoordelen of [belanghebbende 2] als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt. Zij mag daarbij civielrechtelijke aspecten betrekken. De rechtbank hoeft daarbij geen burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties te beslechten. Het gaat om een voorlopig oordeel over eigendoms- en bezitsrechten.

Anders dan het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende 2] niet redelijkerwijs als rechthebbende op de sieraden kan worden aangemerkt. Volgens de zich in het raadkamerdossier bevindende stukken heeft [belanghebbende 2] de door de politie op sociale media geplaatste foto’s van de sieraden herkend als zijnde afkomstig van de diefstal die bij haar ouders is gepleegd. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] leidt de rechtbank af dat die diefstal vele jaren geleden moet hebben plaatsgevonden en dat de ouders van [belanghebbende 2] inmiddels zijn overleden. Ook leidt de rechtbank daaruit af dat er geen foto’s van de toenmalige ‘buit’ beschikbaar zijn. Mede gelet op het tijdsverloop sedert de feitelijke diefstal is de rechtbank van oordeel dat de wijze van herkenning niet gespecificeerd genoeg is ten opzichte van de gedetailleerde onderbouwing van klaagster dat zij de rechthebbende is van de sieraden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij deze stand van zaken geen ander dan klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van de sieraden kan worden aangemerkt. Zij zal het klaagschrift dan ook gegrond verklaren en de teruggave van de sieraden aan klaagster gelasten.

3 De beslissing

De rechtbank

- verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van een bruin doosje met Pieten symbooltje, een parelketting en een scheerdoosje met blauwe juweeltjes en een hangertje van een ram erin aan klaagster.

- verklaart klaagster voor het overige niet-ontvankelijk in het beklag.

Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 20 mei 2026.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).

ECLI:NL:HR:2010:BL2823. ECLI:NL:HR:2003:AF3826. ECLI:NL:HR:2003:AF6983.