Ambtenarenrecht
Termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
Centrale Raad van Beroep, 15 juni 2006
ECLI:NL:CRVB:2006:AX9611 · Centrale Raad van Beroep · 15 juni 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/ambtenarenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2006-ax9611
Zaakgegevens
Op 15 juni 2006 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 juni 2006
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 04-5269 AW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2006:AX9611
Samenvatting
Termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
Uitspraak
04/5269 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2004, 04/555 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Slotervaart/Overtoomseveld van de gemeente Amsterdam (hierna: Dagelijks Bestuur)
Datum uitspraak: 15 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 28 april 2003 is besloten de tijdelijke aanstelling van appellante bij de sector Stadsdeelwerken Projectbureau van het stadsdeel [naam stadsdeel] niet om te zetten in een vast dienstverband en het dienstverband per 1 juni 2003 te beëindigen.
1.2. Dit besluit is na bezwaar bij het bestreden besluit van 24 december 2003 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn van zes weken als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien de overschrijding van deze termijn met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
3.1. In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de termijn voor het instellen van het beroep aanvangt op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Appellante heeft niet betwist dat het besluit van
24 december 2003 op die dag per aangetekende post aan haar adres is verzonden. Ook is niet in geschil dat appellante dat besluit daadwerkelijk heeft ontvangen. Daarmee is gegeven dat aan de wettelijke voorwaarden voor het aanvangen van de beroepstermijn is voldaan. Gelet op het vorenoverwogene is de beroepstermijn derhalve aangevangen op donderdag
25 december 2003, zodat de laatste dag waarop het beroepschrift kon worden ingediend woensdag 4 februari 2004 was. Nu het beroepschrift eerst op 5 februari 2004 is afgegeven ter griffie van de rechtbank, is de geldende beroepstermijn van zes weken overschreden.
3.2. De Raad overweegt vervolgens dat appellante geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten in de zin van 6:11 van de Awb en op grond waarvan ten aanzien van het na afloop van de termijn ingediende beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege zou dienen te blijven. Dat appellante de beroepstermijn verkeerd heeft berekend, dient voor haar risico te komen.
3.3. Anders dan appellante is de Raad voorts van oordeel dat de aangevallen uitspraak genoegzaam is gemotiveerd.
4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2006.
(get.) J.C.F Talman.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.