Ambtenarenrecht
Ontslag. Ondanks dat appellante herhaalde malen op haar tekortkomingen is gewezen, is zij er niet in geslaagd…
Centrale Raad van Beroep, 20 januari 2011
ECLI:NL:CRVB:2011:BP2133 · Centrale Raad van Beroep · 20 januari 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/ambtenarenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2011-bp2133
Zaakgegevens
Op 20 januari 2011 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 20 januari 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 09-5441 AW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2011:BP2133
Samenvatting
Ontslag. Ondanks dat appellante herhaalde malen op haar tekortkomingen is gewezen, is zij er niet in geslaagd haar functioneren te verbeteren.
Uitspraak
09/5441 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 19 augustus 2009, 08/8085 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het bestuur van de stichting ICTU (hierna: bestuur),
Datum uitspraak: 20 januari 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Faber, juridisch adviseur. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Heukelom-Verhage, advocaat te ’s-Gravenhage, en B.J. Hellemink, werkzaam bij de stichting ICTU.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellante was per 1 mei 2007 voor een periode van twee jaren aangesteld als projectondersteuner bij de stichting ICTU. Zij werd bezoldigd naar salarisschaal 8.
1.2. Nadat het bestuur zijn voornemen daartoe had kenbaar gemaakt en appellante daarop haar zienswijze had gegeven, heeft het bestuur haar bij besluit van 30 juni 2008 ingaande 1 oktober 2008 eervol ontslag verleend op grond van artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Bij het bestreden besluit van 25 september 2008 heeft het bestuur dit ontslagbesluit na door appellante gemaakt bezwaar gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep is aangevoerd als volgt.
3.1. De Raad kan zich, althans op hoofdlijnen, vinden in de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Uit de verslagen van de gesprekken die met appellante zijn gevoerd komt duidelijk naar voren dat zij op een groot aantal, in de aangevallen uitspraak vermelde, aspecten van haar werkzaamheden niet aan de eisen voldeed. Om haar taken (voorlopig) te verlichten, is eind oktober 2007 al met haar afgesproken dat zij werkzaamheden op het niveau van schaal 6 zou verrichten. Dit heeft er echter niet toe geleid dat zij naar behoren ging functioneren. Dat appellante het liet afweten was niet alleen de mening van haar eerste leidinggevende H maar ook van andere leidinggevenden. De door appellante ter zitting opgeworpen stelling dat haar functioneren nadelig werd beïnvloed door medische problemen, heeft zij niet met medische verklaringen onderbouwd. Een dergelijke stelling is het bestuur ook nooit voorgelegd zodat dit daarmee geen rekening heeft kunnen houden.
3.2. Ondanks dat appellante herhaalde malen op haar tekortkomingen is gewezen, is zij er niet in geslaagd haar functioneren te verbeteren.
3.3. Over de grief van appellante over de ingangsdatum van het ontslag overweegt de Raad het volgende. Appellante heeft volgens haar stelling op 1 juli 2008 van het ontslagbesluit kennisgenomen. In lijn met zijn uitspraak van 9 februari 1995, LJN ZB5208 en TAR 1995, 98, is de Raad daarom van oordeel dat de opzegtermijn niet later dan op 1 juli 2008 begon te lopen zodat het ontslag op 1 oktober 2008 mocht ingaan. De grief van appellante slaagt dus niet.
3.6. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en D.A.C. Slump als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2011.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) B. Bekkers.
RB