Ambtenarenrecht
Weigering tijdelijke aanstelling om te zetten in een vaste aanstelling of te verlengen. In het geval waarin…
ECLI:NL:CRVB:2014:1470 · Centrale Raad van Beroep · 1 mei 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/ambtenarenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2014-1470
Zaakgegevens
Op 1 mei 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 mei 2014
- Datum publicatie
- 1 mei 2014
- Zaaknummer
- 12-5658 AW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Ambtenarenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:1470
Samenvatting
Weigering tijdelijke aanstelling om te zetten in een vaste aanstelling of te verlengen. In het geval waarin sprake is van werkzaamheden op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk wetboek die voorafgaan aan de tijdelijke aanstelling, voert het te ver om de uitzendperiode mee te tellen voor de toepassing van een bepaling zoals artikel 2:4 CAR/BUWO.
Procesgang
Uitspraak · 2012
ECLI:NL:RBBRE:2012:3302Centrale Raad van Beroep · 1 mei 2014deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2014:1470
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
12/5658 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van
31 augustus 2012, 11/6079 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 1 mei 2014
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.A.M. Lemeer-Smeets hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2014. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Nanne en
C.I. Koffeman.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was vanaf begin 2008 op uitzendbasis werkzaam bij de gemeente Breda. Met ingang van 1 februari 2010 heeft het college appellante op grond van artikel 2:4, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling / Bredase uitwerkingsovereenkomst (CAR/BUWO) in tijdelijke dienst aangesteld tot 1 februari 2012.
1.2. Op 26 juli 2011 heeft het college aan appellante laten weten dat haar tijdelijke aanstelling niet zal worden omgezet in een vaste aanstelling of zal worden verlengd. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 oktober 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad overwogen dat de uitzendperiode niet meetelt voor de toepassing van artikel 2:4 van de CAR/BUWO en dat de Flexwet niet van toepassing is op ambtelijke rechtsverhoudingen, zodat geen vaste aanstelling is ontstaan. De rechtbank heeft verder overwogen dat het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
Appellante heeft zich in hoger beroep beperkt tot de stelling dat de periode van uitzendwerk meetelt voor de toepassing van artikel 2:4 van de CAR/BUWO, zodat een vaste aanstelling is ontstaan. Ter onderbouwing van die stelling heeft appellante aangevoerd dat zij niet uitsluit dat er door de op stapel staande veranderingen in het ambtenarenrecht een omslag komt in de rechtspraak over dit onderwerp.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In zijn uitspraken van 8 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU9157), en
18 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2389), heeft de Raad overwogen dat, in het geval waarin sprake is van werkzaamheden op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk wetboek die voorafgaan aan de tijdelijke aanstelling, het te ver voert om de uitzendperiode mee te tellen voor de toepassing van een bepaling zoals
artikel 2:4 CAR/BUWO. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om hierover nu anders te oordelen.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van
P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2014.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) P. Uijtdewillegen