Ambtenarenrecht

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Centrale Raad van Beroep, 20 april 2017

Zaakgegevens

Op 20 april 2017 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20 april 2017
Datum publicatie
20 april 2017
Zaaknummer
16/7749 AW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2017:1539
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

16/7749 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2016, 15/4540 AW

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de korpschef van politie (korpschef)

Datum uitspraak: 20 april 2017

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft verzocht om herziening of vervallenverklaring van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2016, 15/4540 (ECLI:NL:CRVB:2016:2803).

De korpschef heeft geen verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft nadere stukken ingediend en de Raad verzocht om een aantal personen als getuigen op te roepen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad verzoekster schriftelijk meegedeeld daartoe vooralsnog geen reden te zien.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 17/275, plaatsgevonden op 10 maart 2017. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. I. Atar, advocaat. De korpschef heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak waarvan verzoekster herziening of vervallenverklaring heeft gevraagd.

1.1.

Verzoekster was sinds 1991 werkzaam bij de politie. Bij besluit van 31 januari 2013 heeft de korpschef haar met toepassing van de artikelen 39, eerste lid, en 73, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging en haar de toegang tot de gebouwen ontzegd. Bij besluit van 7 april 2014 heeft de korpschef de beoordeling van verzoekster vastgesteld op een onvoldoende. Bij besluit van eveneens 7 april 2014 heeft de korpschef verzoekster met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp met ingang van vier weken na het besluit ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Bij besluit van 30 september 2014 heeft de korpschef de bezwaren tegen de voornoemde besluiten van 31 januari 2013 en 7 april 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 mei 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:3442) heeft de rechtbank het tegen het besluit van 30 september 2014 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.2.

Bij de uitspraak waarvan verzoekster herziening of vervallenverklaring heeft gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 19 mei 2015 bevestigd. Daartoe heeft de Raad overwogen dat de beoordeling een evenwichtig totaalbeeld geeft van het functioneren van verzoekster, dat de korpschef in redelijkheid verzoekster buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging heeft kunnen verlenen en haar de toegang tot de gebouwen heeft kunnen ontzeggen, dat de conclusie van functieongeschiktheid gerechtvaardigd is en dat de korpschef verzoekster daarom heeft mogen ontslaan. Verder heeft de Raad overwogen dat verzoekster de stelling dat zij vanwege haar afkomst is gediscrimineerd, ook in hoger beroep op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd.

1.3.

Bij uitspraak van 8 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4699) heeft de voorzieningenrechter van de Raad een eerder verzoek om herziening van de uitspraak waarvan verzoekster nu opnieuw herziening of vervallenverklaring vraagt, afgewezen.

2. Verzoekster heeft in haar verzoek opnieuw een groot aantal grieven naar voren gebracht. Ook nu komen die er in de kern op neer dat de korpschef een oneerlijke proceshouding heeft ingenomen en daardoor heeft belet dat in hoger beroep feiten aan het licht zouden zijn gekomen die tot een voor verzoekster gunstige afloop van het hoger beroep hadden kunnen leiden. Daartoe heeft verzoekster een aantal gevallen genoemd waarin de korpschef onjuiste informatie zou hebben verschaft dan wel anderszins onjuist zou hebben gehandeld en de Raad op het verkeerde been zou hebben gezet. Verder heeft verzoekster haar in de eerdere procedure ingenomen stelling dat zij in haar loopbaan bij de politie vanwege haar ras, afkomst en geslacht is gediscrimineerd, herhaald.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Verzoekster heeft aan het verzoek om herziening geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd, maar enkel (nieuwe) argumenten en stellingen naar voren gebracht. Dat zijn echter geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Verder heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat de personen die zij door de Raad als getuigen wilde laten oproepen, wel nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren zouden (kunnen) brengen. De Raad heeft daarom geen reden gezien om deze getuigen op te roepen. Wat verzoekster heeft aangevoerd is er in wezen op gericht een discussie over de juistheid van de uitspraak van de Raad van

21 juli 2016 te voeren. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 4 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:421) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening echter niet gegeven voor het voeren van dergelijke discussies. De Raad begrijpt dat zijn uitspraak veel invloed heeft op het leven van verzoekster. Ook dat is echter geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op grond waarvan de uitspraak kan worden herzien.

3.3.

Uit 3.2 volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2016 moet worden afgewezen. Voor vervallenverklaring van deze uitspraak bestaat evenmin aanleiding.

4. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2016.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) W.A.M. Ebbinge

IJ