Ambtenarenrecht
Eervol ontslag. Nu appellante is ontslagen op grond van art. 8:3, lid 1, van de CAR/UWO is er geen grond voor…
Centrale Raad van Beroep, 15 maart 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:774 · Centrale Raad van Beroep · 15 maart 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/ambtenarenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-774
Zaakgegevens
Op 15 maart 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 maart 2018
- Datum publicatie
- 15 maart 2018
- Zaaknummer
- 17/2483 AW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:774
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eervol ontslag. Nu appellante is ontslagen op grond van art. 8:3, lid 1, van de CAR/UWO is er geen grond voor het toekennen van een plus. Daarmee is er evenmin grond voor toekenning van een vergoeding op grond van het leerstuk van de nadeelcompensatie.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 14 februari 2017
ECLI:NL:RBZWB:2017:802Centrale Raad van Beroep · 15 maart 2018deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2018:774
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
17/2483 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 februari 2017, 16/4387 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de Hilvarenbeek (college)
Datum uitspraak: 15 maart 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.C. van Langen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Namens het college heeft mr. M.T.J.H. Berns, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Langen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. Berns en ing. P.J.M. Arens.
OVERWEGINGEN
Appellante was sinds oktober 1998 werkzaam bij de gemeente Hilvarenbeek, laatstelijk als [medewerker A.].
Bij besluit van 24 september 2013 is appellante meegedeeld dat haar functie per 1 oktober 2013 wordt opgeheven en dat zij per die datum boventallig wordt verklaard. Dit besluit staat in rechte vast. Er is een Van Werk Naar Werk-traject gestart.
Na daartoe het voornemen kenbaar te hebben gemaakt waarop appellante haar zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het college bij besluit van 18 december 2015 appellante per
1 januari 2016 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO).
Bij besluit van 9 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2015 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, komt de Raad tot de volgende beoordeling.
Net als in het beroep in eerste aanleg heeft appellante in hoger beroep naar voren gebracht dat zij geen herstel van het dienstverband wenst, maar dat zij van mening is dat het college haar bij het ontslagbesluit een schadevergoeding had moeten toekennen. Hiertoe is aangevoerd dat het college niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting om ontslag dan wel werkloosheid te voorkomen. Er is geen sprake van goed werkgeverschap. Voor de berekening van de ontslagvergoeding verwijst appellante naar de rechtspraak van de Raad inzake artikel 8:8 van de CAR/UWO.
Met de rechtbank en anders dan appellante heeft betoogd, is de Raad van oordeel dat voor toepassing van de zogenoemde CRvB-formule, die wordt gebruikt voor de berekening van de ontslagvergoeding bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO (de zogeheten plus), geen grond bestaat. Het ontslag van appellante is gestoeld op een reorganisatie. In artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO is voorgeschreven dat voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 wordt ontslagen een passende regeling wordt getroffen. Een vergelijkbare bepaling ontbreekt ten aanzien van de overige ontslaggronden van de CAR/UWO. Nu appellante is ontslagen op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de CAR/UWO is er geen grond voor het toekennen van een plus. Daarmee is er evenmin grond voor toekenning van een vergoeding op grond van het leerstuk van de nadeelcompensatie.
Uit 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2018.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) J. Tuit