Ambtenarenrecht
Afwijzing verzoek om herziening. Geen enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid.
Centrale Raad van Beroep, 25 juli 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:2599 · Centrale Raad van Beroep · 25 juli 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/ambtenarenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-2599
Zaakgegevens
Op 25 juli 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 juli 2019
- Datum publicatie
- 6 augustus 2019
- Zaaknummer
- 19/1261 MPW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:2599
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing verzoek om herziening. Geen enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid.
Uitspraak
19 1261 MPW-PV
Datum uitspraak: 25 juli 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 25 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1159
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
De Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
Zitting heeft: C.H. Bangma
Griffier: E. Stumpel
Verzoeker is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Engels Linssen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Het verzoek om herziening is gebaseerd op informatie in een dossier dat niet aan verzoeker ter beschikking staat en daarmee ook geen onderdeel uitmaakt van de gedingstukken. Dat wat verzoeker aan zijn verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd kan dan ook niet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
Met het door verzoeker ingenomen standpunt wil hij in wezen een hernieuwde discussie over de zaak voeren. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 24 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1570) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te openen of om de daarin gedane uitspraak ter discussie te stellen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) E. Stumpel (getekend) C.H. Bangma