Ambtenarenrecht

Het wrakingsverzoek dateert van 26 april 2022 en is dus gedaan na de uitspraak van 10 maart 2022. Het verzoek…

Centrale Raad van Beroep, 14 juni 2022

Zaakgegevens

Op 14 juni 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14 juni 2022
Datum publicatie
7 juli 2022
Zaaknummer
21/1028 AW-W
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2022:1471
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het wrakingsverzoek dateert van 26 april 2022 en is dus gedaan na de uitspraak van 10 maart 2022. Het verzoek om wraking wordt daarom niet in behandeling genomen. Dit brengt mee dat een inhoudelijke beoordeling van wat verzoekster in het kader van haar verzoek om wraking heeft aangevoerd, achterwege blijft.

Uitspraak

21/1028 AW-W

Datum beslissing: 14 juni 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 8 februari 2021, 20/1880, in het geding tussen verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Lelystad en een verzoek om veroordeling tot schadevergoeding ingediend.

Bij uitspraak van 10 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:608, heeft de Raad de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afgewezen.

Op 26 april 2022 heeft verzoekster verzocht om wraking van de rechters, H. Lagas, J.T.H. Zimmerman en P.J. Stolk, die de uitspraak hebben gedaan.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de strekking van het middel van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.

2. Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 (Stcrt. 2021, 48959) bepaalt dat de wrakingskamer zonder zitting te houden kan beslissen een verzoek niet in behandeling te nemen, indien het is gedaan nadat in de hoofdzaak de einduitspraak openbaar is gemaakt.

3. De behandelend kamer heeft op 10 maart 2022 uitspraak gedaan op het hoger beroep van appellante en haar verzoek om schadevergoeding. De beslissing is die dag ook in het openbaar uitgesproken. Het wrakingsverzoek dateert van 26 april 2022 en is dus gedaan na de uitspraak van 10 maart 2022. Het verzoek om wraking wordt daarom niet in behandeling genomen. Dit brengt mee dat een inhoudelijke beoordeling van wat verzoekster in het kader van haar verzoek om wraking heeft aangevoerd, achterwege blijft.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat het verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en E. Dijt en S.B. SmitColenbrander als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2022.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) D. Al-Zubaidi