Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Eerste en enige aanleg Socialezekerheidsrecht

16 januari 2020
ECLI:NL:CRVB:2020:94

Op 16 januari 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep een eerste en enige aanleg procedure behandeld op het gebied van socialezekerheidsrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 19/1706 AOR, bekend onder ECLI code ECLI:NL:CRVB:2020:94.

Soort procedure
Zaaknummer(s)
19/1706 AOR
Datum uitspraak
16 januari 2020
Datum gepubliceerd
16 januari 2020
Uitspraak
19
1706 AOR

Datum uitspraak: 16 januari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant]
te
[woonplaats]
(appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft

[A.]
beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 maart 2019, kenmerk BZO 11202755 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door

[A.]
,
[B.]
,
[C.]
en
[D.]
. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1

Appellant, geboren in 1948, heeft in augustus 2017 een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de AOR.

1.2.

Bij besluit van 26 februari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant in omstandigheden heeft verkeerd in de zin van de AOR.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:

het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen

- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;

- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;

- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.

2.2.

Hieruit volgt dat voor het erkennen als oorlogsgetroffene in de zin van de AOR als eerste voorwaarde geldt dat de aanvrager gebeurtenissen als bedoeld in de AOR heeft meegemaakt. Pas als een zodanige betrokkenheid is vastgesteld, kunnen de medische gevolgen daarvan aan de orde komen. Verweerder heeft dan ook terecht zonder voorafgaand medisch onderzoek beoordeeld of appellant oorlogsgebeurtenissen in de zin van de AOR heeft meegemaakt.

2.3.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat appellant heeft verkeerd in AOR-omstandigheden.

2.4.

Gelet op de geboortedatum van appellant van 25 december 1948 en zijn aankomst in Nederland op 29 april 1951, moet worden beoordeeld of appellant in zijn zeer prille jeugd gedurende de 2 jaar en 5 maanden dat hij in het voormalige Nederlands-Indië heeft verbleven gebeurtenissen in de zin van de AOR heeft meegemaakt. Appellant heeft zelf geen concrete herinneringen aan die tijd, maar kampt met nachtmerries waarbij steeds oorlogsgebeurtenissen naar boven komen. De beschikbare gegevens waaronder de relatiedossiers van de vader en moeder van appellant bieden geen houvast voor de conclusie dat appellant oorlogsgebeurtenissen in de zin van de AOR heeft meegemaakt. Op basis van historische gegevens heeft

[B.]
geconstrueerd dat er onder meer beschietingen en bombardementen hebben plaatsgevonden om en nabij het vliegveld en de legerplaats Banjoemas, de geboorteplaats van appellant en de plaats waar hij verbleef. Dat is echter onvoldoende om aan te kunnen nemen dat appellant de gestelde gebeurtenissen heeft meegemaakt. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 22 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2238) moet er namelijk een vorm van bewijs zijn dat appellant die gebeurtenissen ook daadwerkelijk heeft meegemaakt. Aan de overgelegde verklaringen van
[E.]
en
[F.]
kan niet die betekenis worden gehecht die appellant daaraan toekent. Deze verklaringen zijn te algemeen gesteld en bevestigen niet dat appellant betrokken is geweest bij (specifieke) oorlogsomstandigheden. Daarnaast is de verklaring van
[E.]
niet in overeenstemming met haar sociaal rapport.

Het is de Raad ter zitting gebleken dat appellant na de oorlog gebukt is gegaan onder de traumatische oorlogservaringen van met name zijn vader. Dergelijke ervaringen zijn aan te merken als tweede-generatieproblematiek en kunnen niet onder de werking van de AOR of een van de andere oorlogswetten worden gebracht.

2.5.

Het ontbreken van een objectieve bevestiging dat appellant oorlogsgebeurtenissen in de zin van de AOR heeft meegemaakt brengt mee dat appellant om die reden niet kan worden aangemerkt als slachtoffer van oorlogsgeweld in de zin van de AOR. Dit betekent dat hij aan de AOR geen aanspraken kan ontlenen.

2.6.

Uit 2.4 en 2.5 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van F. Demiroglu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) F. Demiroglu

Zie ook

Oozo.nl
Weten wat er in jouw buurt of straat gebeurt?
FaillissementsDossier.nl
Alle faillissementen en surseances in Nederland
FaillissementsDossier.be
Alle faillissementen en opschortingen in België
ProcedureCollective.fr
Alle faillissementen in Frankrijk
DatIsSlimBedacht.nl
Tips - Ideeën - Slimmigheden
  • Uitspraken.nl is een produkt van Binq Media B.V. - Mart Smeetslaan 1, 1217 ZE Hilversum - Kvk nummer 54506158