Socialezekerheidsrecht
Na tussenuitspraak (LJN BX2516) is een nieuw besluit genomen. Nu er tussen partijen geen door de Raad te…
Centrale Raad van Beroep, 23 november 2012
ECLI:NL:CRVB:2012:BY4011 · Centrale Raad van Beroep · 23 november 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2012-by4011
Zaakgegevens
Op 23 november 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 23 november 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10-2918 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2012:BY4011
Samenvatting
Na tussenuitspraak (LJN BX2516) is een nieuw besluit genomen. Nu er tussen partijen geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Proceskosten.
Uitspraak
10/2918 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2010, 09/1009 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 november 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2012.
De Raad heeft op 20 juli 2012 een tussenuitspraak gedaan: LJN BX2516.
Het Uwv heeft op 20 augustus 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 5 september 2012 heeft appellant verzocht om een vergoeding van de gemaakte kosten.
Bij brief van 27 september 2012 heeft het Uwv hierop gereageerd.
Op verzoek van de Raad heeft appellant bij brief van 9 oktober 2012 de opgegeven kosten gespecificeerd en voorzien van bewijsstukken.
De Raad heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 20 augustus 2012 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Appellant heeft de Raad bericht dat hij zich met de nieuwe beslissing op bezwaar van 20 augustus 2012 kan verenigen en heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten.
2. Nu er tussen partijen geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
3. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 216,40 voor de reiskosten die appellant heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de Raad (openbaar vervoer 2e klas) alsmede de verblijfkosten tot een bedrag van € 49,15 in totaal
€ 265,55.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 265,55;
-bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 150,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2012.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen
KR