Socialezekerheidsrecht

Ontbreken beroepsgronden in het ingediende beroepschrift. Er is niet gebleken van redenen die een…

Centrale Raad van Beroep, 6 februari 2013

Zaakgegevens

Op 6 februari 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
6 februari 2013
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
12-5604 WAO
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0948
E-mail

Samenvatting

Ontbreken beroepsgronden in het ingediende beroepschrift. Er is niet gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

12/5604 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 september 2012, 12/2739 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 februari 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht, is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Het ingediende beroepschrift bevat echter geen gronden.

Bij brief van 22 oktober 2012 is de gemachtigde van appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. De gemachtigde van appellante heeft uitstel verzocht voor het indienen van de gronden waarop het hoger beroep berust. Bij brief van 19 november 2012 is de hersteltermijn verlengd tot en met 17 december 2012.

Bij brief van 17 december 2012 heeft de gemachtigde van appellante wederom om uitstel verzocht om de gronden waarop het hoger beroep berust in te dienen.

Bij aangetekende brief van 20 december 2012 is aan de gemachtigde van appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.

De gemachtigde van appellante heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

Nu niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.