Socialezekerheidsrecht
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak. Bijzondere bijstand voor huisraad in de vorm van een geldlening…
Centrale Raad van Beroep, 4 juni 2013
ECLI:NL:CRVB:2013:CA3200 · Centrale Raad van Beroep · 4 juni 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2013-ca3200
Zaakgegevens
Op 4 juni 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 juni 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- 12/3334 WWB-PV + 12/4221 WWB-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2013:CA3200
Samenvatting
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak. Bijzondere bijstand voor huisraad in de vorm van een geldlening. Geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellante niet vooraf heeft kunnen reserveren voor vervanging van duurzame gebruiksgoederen of op grond waarvan niet van haar gevergd kan worden in deze kosten te voorzien door gespreide betaling achteraf.
Uitspraak
12/3334 WWB-PV, 12/4221 WWB-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 mei 2012, 12/297 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)
Datum uitspraak: 4 juni 2013
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter van de enkelvoudige kamer Griffier: T.A. Meijering
Ter zitting is A. Vukovic voor het college verschenen. Appellante is niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 21 september 2011 heeft het college aan appellante bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend in de kosten van huisraad tot een bedrag van € 2.322,- in de vorm van een geldlening. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluiten van 19 maart 2012 en 2 april 2012 (bestreden besluiten) gedeeltelijk gegrond verklaard. Het toegekende bedrag is verhoogd tot € 2.617,-, waarvan € 1.650,- in de vorm van een geldlening is verleend. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. In geschil is of ook het bedrag van € 1.650,- als bijstand om niet moet worden verleend.
Op grond van artikel 51, eerste lid, van de WWB kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet. Bij de toepassing van artikel 51 van de WWB hanteert het college het beleid dat, wanneer bijzondere bijstand wordt verleend voor duurzame gebruiksgoederen zoals hier aan de orde, de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt. Daarop wordt slechts een uitzondering gemaakt ingeval betrokkene 65 jaar of ouder is en/of indien betrokkene in de schuldhulpverlening zit. In die gevallen bestaat er namelijk geen vooruitzicht op inkomensverbetering.
In de bestreden besluiten heeft het college overeenkomstig het hiervoor genoemde beleid aan appellante bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening. Appellante heeft aangevoerd dat de bijzondere bijstand geheel als gift moet worden verleend, omdat zij, ofschoon zij jonger is dan 65 en niet in de schuldhulpverlening zit, wel veel schulden heeft en zij vanwege haar echtscheiding niet heeft kunnen sparen. Dit zijn echter geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellante niet vooraf heeft kunnen reserveren voor vervanging van duurzame gebruiksgoederen of op grond waarvan niet van haar gevergd kan worden in deze kosten te voorzien door gespreide betaling achteraf. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat het college met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van dit beleid had moeten afwijken. Het hoger beroep slaagt daarom niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) T.A. Meijering (getekend) O.L.H.W.I. Korte
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
RH