Socialezekerheidsrecht
Alsnog kostenvergoeding toegekend voor het verschijnen op de hoorzitting.
Centrale Raad van Beroep, 29 juli 2014
ECLI:NL:CRVB:2014:2547 · Centrale Raad van Beroep · 29 juli 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2014-2547
Zaakgegevens
Op 29 juli 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 juli 2014
- Datum publicatie
- 29 juli 2014
- Zaaknummer
- 13-6910 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:2547
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Alsnog kostenvergoeding toegekend voor het verschijnen op de hoorzitting.
Uitspraak
13/6910 WWB
Datum uitspraak: 29 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
15 november 2013, 13/428 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.V. Tjon, werkzaam bij Buro Bezwaar en Beroep, hoger beroep ingesteld.
Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontving vanaf 4 juni 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Bij besluit van 18 oktober 2012 (primair besluit 1) heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 september 2012 opgeschort. Bij besluit van 8 november 2012 (primair besluit 2) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2012 ingetrokken. Bij besluit van 11 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de primaire besluiten 1 en 2 herroepen. Daarbij is het college veroordeeld in de proceskosten voor de verleende rechtsbijstand en het door appellant betaalde griffierecht. De proceskosten zijn vastgesteld op € 1.416,- en zijn als volgt berekend: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 472,-.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van de kosten in bezwaar. Hij heeft daarbij aangevoerd dat geen punt is toegekend voor de behandeling van het bezwaarschrift tijdens de hoorzitting die op 8 januari 2012 heeft plaatsgevonden, waardoor hem te weinig is toegekend.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het vierde lid bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Vast staat dat aan de voorwaarden voor een kostenvergoeding wordt voldaan. Volgens het puntensysteem dat in de bijlage bij het Bpb is opgenomen, levert het verschijnen voor een hoorzitting een procespunt op. In de aangevallen uitspraak is echter verzuimd om hiervoor een procespunt toe te kennen.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij is verzuimd om een kostenvergoeding toe te kennen voor het verschijnen op de hoorzitting. De Raad zal het college alsnog veroordelen in deze kosten, ter hoogte van € 487,-.
De Raad ziet voorts aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 487,- voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is verzuimd om een
kostenvergoeding toe te kennen voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar;
- veroordeelt het college in deze kosten van appellant ten bedrage van € 487,-;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep ten bedrage van
€ 487,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,-
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van
R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
29 juli 2014.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) R.B.E. van Nimwegen