Socialezekerheidsrecht
Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Klachten zijn niet onderschat.
Centrale Raad van Beroep, 12 februari 2014
ECLI:NL:CRVB:2014:404 · Centrale Raad van Beroep · 12 februari 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2014-404
Zaakgegevens
Op 12 februari 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 februari 2014
- Datum publicatie
- 12 februari 2014
- Zaaknummer
- 12-4637 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:404
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Klachten zijn niet onderschat.
Uitspraak
12/4637 ZW
Datum uitspraak: 12 februari 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
25 juli 2012, 12/1787 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te[woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013. Appellant en mr. Stap zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is werkzaam geweest als toezichthouder. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft hij zich op 19 december 2011 ziek gemeld met psychische klachten en beenklachten. Bij zijn onderzoek op 18 januari 2012 heeft een verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat appellant ondanks zijn klachten in staat moet worden geacht om werkzaamheden als toezichthouder te verrichten. Bij besluit van
18 januari 2012 heeft het Uwv aan appellant bekend gemaakt dat hij met ingang van
23 januari 2012 niet langer ongeschiktheid wordt geacht voor het verrichten van zijn arbeid in de zin van de Ziektewet (ZW).
1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 januari 2012. Bij besluit van
21 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 18 januari 2012 gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt een rapport ten grondslag van een bezwaarverzekeringsarts van 21 maart 2012. De bezwaarverzekeringsarts is na bestudering van de dossiergegevens en eigen onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellant met zijn psychische klachten en beenklachten in staat moet zijn om het werk van toezichthouder te verrichten waarin geen hoge psychische en lichamelijke belastingeisen gelden.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv zijn psychische klachten en beenklachten heeft onderschat. De verzekeringsartsen hebben volgens appellant onvoldoende informatie verzameld omtrent de gezondheidstoestand waarin appellant op 23 januari 2012 verkeerde.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar overweging 2.1 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat dat op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW ten aanzien van appellant, die zich als werkloze werknemer ziek heeft gemeld, onder zijn arbeid wordt verstaan de werkzaamheden als toezichthouder die bij een soortgelijke werkgever doorgaans kenmerkend voor die arbeid zijn.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat een zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben ieder appellant onderzocht. Zij hebben kennisgenomen van het rapport van psychiater S. Sidali van 20 juli 2010 en van het rapport van psychiater W.M.J. Hassing van 31 mei 2011. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is gemotiveerd uiteengezet waarom appellant met zijn psychische klachten en beenklachten, waarmee hij eerder ook als toezichthouder heeft kunnen werken, met ingang van 23 januari 2012 niet (meer) ongeschikt wordt geacht voor zijn arbeid.
Het Uwv heeft op goede gronden het standpunt betrokken dat het niet zinvol was om Sidali vragen te stellen over de gezondheidstoestand van appellant op 23 januari 2012. Appellant had immers in zijn gesprek met de verzekeringsarts op 18 januari 2012 kenbaar gemaakt dat Sidali de behandeling van appellant had afgerond. Uit het door appellant in beroep ingebrachte rapport van Sidali van 20 oktober 2011 volgt dat de behandeling op
20 oktober 2011 was geëindigd met als resultaat dat de situatie van appellant met medicatie was gestabiliseerd.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt dat zijn klachten zijn onderschat niet nader onderbouwd. Hij heeft wel opnieuw naar voren gebracht dat hij in verband met toegenomen psychische klachten weer is behandeld, maar omtrent die behandeling is niet meer bekend dan dat appellant door i-psy is uitgenodigd voor een gesprek met een arts op 5 april 2012. Medische stukken die nader licht werpen op de psychische toestand van appellant op
23 januari 2012 zijn niet ingebracht.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014.
(getekend) M. Greebe
(getekend) Z. Karekezi