Socialezekerheidsrecht
Verzet ongegrond. Geen doorbreking appèlverbod.
ECLI:NL:CRVB:2016:2741 · Centrale Raad van Beroep · 19 juli 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2016-2741
Zaakgegevens
Op 19 juli 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 juli 2016
- Datum publicatie
- 20 juli 2016
- Zaaknummer
- 15/4787 WWB-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2016:2741
Samenvatting
Verzet ongegrond. Geen doorbreking appèlverbod.
Procesgang
Centrale Raad van Beroep · 19 juli 2016deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2016:2741
Hoge Raad · 23 september 2016
ECLI:NL:HR:2016:2179
Uitspraak
Inhoudsopgave
Datum uitspraak: 19 juli 2016
15/4787 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juli 2015, 15/2101 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (college)
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 12 april 2016 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard om van het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak kennis te nemen.
Appellant heeft verzet gedaan. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank het gelegde beslag onjuist heeft beoordeeld en ten onrechte geen acht heeft geslagen op de door hem vermelde uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 12 juli 2016. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 12 april 2016 berust hierop, dat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb ingevolge
artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld. Daarbij heeft de Raad overwogen dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die een doorbreking van het wettelijk appèlverbod rechtvaardigen.
Voor kennisneming van een appèl in weerwil van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb kan grond bestaan, indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. De Raad ziet evenwel in wat appellant naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat doorbreking van het appèlverbod gerechtvaardigd is.
De gronden van het verzet betreffen niet de evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen. In het bijzonder heeft de door appellant vermelde uitspraak van de Hoge Raad van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3068, die ziet op beslag op nabetalingen, daarop geen betrekking.
Ook overigens ziet de Raad geen grond om in dit geval het appèlverbod te doorbreken.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2016.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) S.W. Munneke