Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep niet ontvankelijk. Beroep te laat ingesteld, verwijtbaar.
Centrale Raad van Beroep, 30 mei 2017
ECLI:NL:CRVB:2017:1983 · Centrale Raad van Beroep · 30 mei 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2017-1983
Zaakgegevens
Op 30 mei 2017 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 mei 2017
- Datum publicatie
- 2 juni 2017
- Zaaknummer
- 16/3638 PW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2017:1983
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroep niet ontvankelijk. Beroep te laat ingesteld, verwijtbaar.
Uitspraak
Datum uitspraak: 30 mei 2017
16/3638 PW, 16/3639 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
4 april 2016, 16/912 en 16/948 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.J. Skála hoger beroep ingesteld.
OVERWEGINGEN
In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 11 juli 2016 heeft de gemachtigde van appellante namens appellante verzocht om vrijstelling van het griffierecht.
Bij brief van 8 augustus 2016 heeft de Raad voor Rechtsbijstand een inkomensverklaring van appellante overgelegd. De inkomensverklaring betreft het peiljaar 2014.
Bij brief van 17 augustus 2016 heeft appellante laten weten dat zij de procedure zelf wenst voort te zetten en dat zij zich niet meer laat bijstaan door een gemachtigde.
Bij brief van 19 augustus 2016 is appellante de inkomensverklaring toegezonden en is haar gevraagd of de bijgevoegde inkomensverklaring nog actueel is. Daarbij is appellante erop gewezen dat als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken, het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen en dat zij geen gelegenheid tot aanvulling van het formulier of de gegevens krijgt.
Appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij brief van 7 september 2016 is appellante medegedeeld dat het beroep op betalingsonmacht is afgewezen. Daarbij is appellante erop gewezen dat zij een nota van het griffierecht zal ontvangen, is haar verzocht het griffierecht binnen de op de nota gestelde termijn te betalen en is zij erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot
niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
Bij brief van 8 september 2016 is appellante erop gewezen dat zij een griffierecht van € 124,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brieven van 10 oktober 2016 en 9 januari 2016 (lees: 2017) is appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Voorts geldt ingevolge artikel 6:24 van de Awb in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Awb het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 5 april 2016 per aangetekende post in afschrift aan het college en aan mr. F.M. Meis, advocaat, toegezonden.
Het beroepschrift is op 31 mei 2016 ontvangen. Het is, gezien de poststempel op de enveloppe, op 30 mei 2016 ter post bezorgd.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
De gemachtigde van appellante heeft in het hoger beroepschrift de Raad verzocht om de termijnoverschrijding voor gedekt te verklaren omdat de uitspraak aan appellante persoonlijk verzonden had moet worden en niet aan mr. Meis omdat appellante zelf beroep heeft ingesteld, in de aangevallen uitspraak geen gemachtigde voor appellante wordt vermeld en mr. Meis tegenover appellante ontkend heeft de uitspraak te hebben ontvangen.
Wat namens appellante is aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In dat verband wordt overwogen dat appellante feitelijk door mr. Meis werd bijgestaan ter zitting van 22 maart 2016 voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening zoals de gemachtigde van appellant zelf aangeeft in het hoger beroep. Uit de gedingstukken blijkt ook dat mr. Meis bij schrijven van 9 maart 2016 de rechtbank in het kader van het door appellante ingestelde beroep tegen het uitblijven van een beslissing van het college en het ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met procedure nummers 16/912 en 16/948 heeft verzocht de correspondentie via hem te laten verlopen.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank mr. Meis terecht als gemachtigde heeft aangemerkt en zodoende de uitspraak naar deze gemachtigde heeft verzonden.
Tot slot overweegt de Raad dat uit gegevens van PostNL, Track & Trace, blijkt dat de aangevallen uitspraak in ontvangst is genomen op het adres waar mr. Meis werkzaam is en voor ontvangst is getekend.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2017.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) E. Blijleven-de Vries
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.