Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het processuele belang aan de beoordeling van het hoger beroep is komen te…
Centrale Raad van Beroep, 27 juni 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:1962 · Centrale Raad van Beroep · 27 juni 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-1962
Zaakgegevens
Op 27 juni 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 juni 2018
- Datum publicatie
- 29 juni 2018
- Zaaknummer
- 16/5297 AWBZ
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:1962
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het processuele belang aan de beoordeling van het hoger beroep is komen te ontvallen.
Procesgang
Uitspraak · 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:5025Centrale Raad van Beroep · 27 juni 2018deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2018:1962
Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak
16 5297 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
4 juli 2016, 15/5476 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] , in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellante)
VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)
Datum uitspraak: 27 juni 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft haar zoon [naam zoon] hoger beroep ingesteld. Daarna is appellante overleden.
Op de brief van de Raad van 29 november 2017 gericht aan [naam zoon] met de vragen wie als vertegenwoordiger van de rechtsverkrijgende(n) optreedt en of deze de procedure wenst voort te zetten, is ook na rappelbrief van 2 januari 2018, geen reactie gekomen.
De Raad heeft, gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vervolgens in de Staatscourant van 16 april 2018 aangekondigd dat het onderzoek ter zitting zal plaatsvinden op 16 mei 2018. Een afschrift hiervan is aan
[naam zoon] toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2018. Van de zijde van de erfgenamen is niemand verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. Appellante is overleden. Niet is gebleken van erfgenamen die appellante als partij in het onderhavige geding zijn opgevolgd en het geding zouden willen voortzetten. Ook na de aankondiging in de Staatscourant hebben zich geen belanghebbenden gemeld met het verzoek als partij aan het geding deel te mogen nemen. Uit het voorgaande volgt dat het processuele belang aan de beoordeling van het hoger beroep is komen te ontvallen. Het hoger beroep van appellante zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2018.
(getekend) D.S. de Vries
De griffier is verhinderd te ondertekenen.