Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen belang bij oordeel over terugvordering van de zorgpremie.
Centrale Raad van Beroep, 17 juli 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:2369 · Centrale Raad van Beroep · 17 juli 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-2369
Zaakgegevens
Op 17 juli 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 juli 2018
- Datum publicatie
- 2 augustus 2018
- Zaaknummer
- 16/7561 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:2369
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen belang bij oordeel over terugvordering van de zorgpremie.
Uitspraak
16 7561 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 november 2016, 16/4240 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 17 juli 2018
Zitting hebben: A.M. Overbeeke als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.C.G. Okhuizen als leden.
Griffier: J. Tuit
Partijen zijn, met bericht, niet ter zitting verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Het college heeft bij besluit van 19 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 mei 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellant wegens zijn detentie ingetrokken per 3 december 2015 en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 3 december 2015 tot en met 31 december 2015 tot een bedrag van € 855,50 van hem teruggevorderd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Ook in hoger beroep is het geschil beperkt tot de vraag of de door het college vanuit de bijstand van appellant betaalde zorgpremie van € 152,53 over de maand december 2015 in mindering moet worden gebracht op het van appellant terug te vorderen bedrag.
4. Gebleken is dat het Zorginstituut Nederland de zorgpremie van € 152,53 heeft gerestitueerd aan het college en dat het college dat bedrag van € 152,53 in mindering heeft gebracht op de vordering.
5. Dit betekent dat wat appellant met zijn hoger beroep beoogt te bereiken geen feitelijke betekenis voor hem kan hebben. Appellant heeft geen procesbelang meer, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J. Tuit (getekend) A.M. Overbeeke
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
sg