Socialezekerheidsrecht
Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Het recht op bijstand is niet vast…
Centrale Raad van Beroep, 28 augustus 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:2957 · Centrale Raad van Beroep · 28 augustus 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-2957
Zaakgegevens
Op 28 augustus 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 augustus 2018
- Datum publicatie
- 27 september 2018
- Zaaknummer
- 17/2660 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:2957
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Het recht op bijstand is niet vast te stellen. Onduidelijke financiële situatie.
Procesgang
Uitspraak · 2017
ECLI:NL:RBZWB:2017:1225Centrale Raad van Beroep · 28 augustus 2018deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2018:2957
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
17 2660 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 februari 2017, 16/7441 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 28 augustus 2018
Zitting heeft: M. Schoneveld
Griffier: J. Tuit
Voor appellant is mr. I.A.C. Cools, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Claessen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het college heeft bij besluit van 21 juni 2016 de op grond van de Participatiewet (PW) aan appellant verleende bijstand ingetrokken over de periode van 15 oktober 2015 tot en met
15 maart 2016. Bij besluit van 6 juli 2016 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over deze periode teruggevorderd. Het college heeft de besluiten van 21 juni 2016 en
6 juli 2016 na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 augustus 2016 (bestreden besluit). Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant voldoende objectieve en verifieerbare informatie heeft verschaft over zijn financiële situatie. Daarbij gaat het om informatie over de wijze van financiering van zijn hoge hypotheeklasten, de ter beschikking van appellant staande auto en om informatie over de in zijn woning aangetroffen contante gelden. Appellant heeft betoogd dat hij met de door hem gegeven verklaringen en de door hem ingediende stukken, waaronder verklaringen van derden en schuldbekentenissen, voldoende duidelijkheid aan het college heeft verschaft.
3. De gronden waarop het hoger beroep berust zijn een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan en heeft geoordeeld dat appellant ten aanzien van de hypotheeklasten, de auto en de contante gelden onvoldoende verifieerbare inlichtingen heeft verschaft, zodat er teveel onduidelijkheid is blijven bestaan en door het college niet kan worden vastgesteld of appellant in de periode in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De Raad verwijst naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 en 6 van de aangevallen uitspraak. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust.
4. Uit dat wat onder 3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(get.) J. Tuit (get.) M. Schoneveld