Socialezekerheidsrecht
Niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden verrichten.
Centrale Raad van Beroep, 27 november 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:3830 · Centrale Raad van Beroep · 27 november 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-3830
Zaakgegevens
Op 27 november 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 november 2018
- Datum publicatie
- 30 november 2018
- Zaaknummer
- 17/3541 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:3830
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden verrichten.
Procesgang
Uitspraak · 2016
ECLI:NL:RBZWB:2016:7319Uitspraak · 2017
ECLI:NL:RBZWB:2017:2499Centrale Raad van Beroep · 27 november 2018deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2018:3830
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
17 3541 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 november 2016, 16/3973 T (aangevallen tussenuitspraak), en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 april 2017, 16/3973 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 27 november 2018
Zitting heeft: M. Hillen
Griffier: C.A.E. Bon
Voor appellant is mr. F. Ergec, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.A.A. Govers.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Het college heeft terecht de bijstand van appellant met ingang van 10 juni 2015 ingetrokken en over de periode van 10 juni 2015 tot en met 30 november 2015 teruggevorderd.
2. Appellant heeft in strijd met de inlichtingenverplichting geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden voor de stomerij van zijn broer. Deze werkzaamheden zijn niet zeer beperkt of qua omvang verwaarloosbaar, gelet op de verklaring van appellant van 10 december 2015. De werkzaamheden zijn ook op geld waardeerbaar, waarbij geen rol speelt of appellant dat heeft erkend. Ook is niet van belang of appellant daadwerkelijk inkomsten heeft ontvangen. De werkzaamheden overstijgen het karakter van een (familie)dienst. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat die werkzaamheden van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en derhalve aan het college dienden te worden gemeld.
3. Het hoger beroep slaagt niet.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) C.A.E. Bon (getekend) M. Hillen
md