Socialezekerheidsrecht
Vaststelling en terugvordering pgb. De rechtbank heeft het toetsingskader juist toegepast en zij is tot de…
Centrale Raad van Beroep, 20 november 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:3788 · Centrale Raad van Beroep · 20 november 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-3788
Zaakgegevens
Op 20 november 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 november 2019
- Datum publicatie
- 28 november 2019
- Zaaknummer
- 18/1163 AWBZ-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:3788
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vaststelling en terugvordering pgb. De rechtbank heeft het toetsingskader juist toegepast en zij is tot de juiste conclusie gekomen.
Procesgang
Uitspraak · 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:288Centrale Raad van Beroep · 20 november 2019deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2019:3788
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
18 1163 AWBZ-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2018, 16/4877 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)
Datum uitspraak: 20 november 2019
Zitting heeft: J. Brand
Griffier: S.L. Alves
Ter zitting zijn verschenen: mr. J.W. Dijke (namens appellante) en mr. S. Gezer (namens het Zorgkantoor)
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellante heeft voor veel algemene dagelijkse levensverrichtingen hulp nodig en in verband daarmee heeft het Zorgkantoor haar in 2014 op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een persoonsgebonden budget (pgb) verleend. Appellante heeft met dit pgb zorg ingekocht bij zorgverlener JeugdplusJeugd.
2. Het Zorgkantoor heeft, na van appellante ontvangen informatie, het pgb over het gehele jaar 2014 vastgesteld op het bedrag voor de inkoop van persoonlijke verzorging in de eerste helft van 2014, vermeerderd met het verantwoordingsvrije bedrag. Het restant van het over 2014 verleende bedrag is van appellante teruggevorderd, omdat niet kon worden vastgesteld dat appellante daarvoor feitelijk AWBZ-zorg had ontvangen. Het Zorgkantoor heeft het bezwaar van appellante tegen de vaststelling en terugvordering bij besluit van 10 juni 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Zorgkantoor bevoegd was om het pgb op een lager bedrag vast te stellen dan bij de verlening was toegekend. Uit vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) vloeit voort dat bij die lagere vaststelling een belangenafweging moet worden gemaakt. Bij die afweging moet worden gekeken naar het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de mate waarin het niet nakomen van de verplichtingen aan de ontvanger kan worden verweten van belang is. Ook komt betekenis toe aan de vraag of en in welke omvang ABWZ-zorg is verleend en of die zorg ook daadwerkelijk is betaald.
5. In het voorliggende geval heeft de rechtbank het in de onder 4 genoemde uitspraak weergegeven toetsingskader juist toegepast en zij is tot de juiste conclusie gekomen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en neemt deze over, voor zover in hoger beroep nog van belang. Daaraan wordt naar aanleiding van het betoog in hoger beroep toegevoegd dat appellante niet wordt gevolgd in haar stelling dat het voor de tweede helft van 2014 toegekende bedrag voor persoonlijke verzorging niet mag worden teruggevorderd, omdat dat ook niet is gebeurd met het bedrag dat voor de eerste helft van 2014 was toegekend. Daarvoor is redengevend dat aannemelijk is geworden dat het in stand laten van de onjuiste toekenning voor de eerste helft van 2014 op een misverstand berustte omdat de urenopgave en het zorgplan niet met elkaar overeenstemden. Onjuistheden hoeven niet te worden herhaald.
6. De verlaging van het pgb over 2014 heeft tot gevolg dat appellante geconfronteerd blijft met de terugvordering van een bedrag van ruim € 37.000,-. Dat dat appellante in een moeilijke situatie brengt is duidelijk, te meer omdat zij een relatief gering inkomen geniet en het pgb volledig is aangewend voor de betaling van de nota’s van Jeugplusjeugd. Dit betekent echter niet dat het Zorgkantoor van terugvordering had moeten afzien. Wel hebben partijen ter zitting besproken dat zij, gelet op de omstandigheden van het geval en gezien de brief van de Staatssecretaris van 7 december 2015 waarop ook de rechtbank heeft gewezen, met elkaar in overleg treden om te bezien of het Zorgkantoor van invordering van het teruggevorderde bedrag zal afzien.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S.L. Alves (getekend) J. Brand