Socialezekerheidsrecht
Geen aanleiding voor bijstandsverlening met terugwerkende kracht. Gronden zien niet op procedure hier in geding.
Centrale Raad van Beroep, 19 februari 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:724 · Centrale Raad van Beroep · 19 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-724
Zaakgegevens
Op 19 februari 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 februari 2019
- Datum publicatie
- 5 maart 2019
- Zaaknummer
- 18/1359 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:724
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geen aanleiding voor bijstandsverlening met terugwerkende kracht. Gronden zien niet op procedure hier in geding.
Procesgang
Uitspraak · 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:553Centrale Raad van Beroep · 19 februari 2019deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2019:724
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Hoge Raad · 11 oktober 2019
ECLI:NL:HR:2019:1566
Uitspraak
18 1359 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2018, 17/3125 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 19 februari 2019
Zitting heeft: J.N.A. Bootsma als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: J.M.M. van Dalen
Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. M.A.C. Kooij.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Dit betekent dat de bijstand terecht met ingang van 15 augustus 2016 en niet al per 22 juli 2016 is toegekend.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De rechtbank heeft overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om af te wijken van het uitgangspunt dat geen bijstand wordt verleend voor de datum waarop iemand zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen (artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet). Op het aanvraagformulier met meldingsdatum 15 augustus 2016 heeft appellant geen andere gewenste ingangsdatum ingevuld. Zijn stelling dat het inloggen op het aanvraagsysteem op
22 juli 2016 en daarna tot 15 augustus 2016 niet is gelukt en dat een medewerker van de sociale dienst dit had gezien, is niet genoeg om uit te gaan van een eerdere aanvraag. Ook uit een kopie van een ongedateerde foto blijkt niet dat het aanvraagsysteem het niet deed in de periode van 22 juli 2016 tot 15 augustus 2016. De Raad kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel rust. Op de zitting bij de Raad heeft appellant nog gezegd dat de medewerker van de sociale dienst niet wil getuigen omdat hij bang is voor zijn baan.
De Raad is het ook eens met de rechtbank dat er geen reden is voor vergoeding van de kosten in bezwaar. Als appellant tijdig alle gevraagde informatie over de stortingen op zijn rekening en de ontvangen inkomsten uit huur had gegeven, had hij geen bezwaarprocedure hoeven voeren. Hij heeft deze kosten dus niet redelijkerwijs moeten maken en er is geen aan de gemeente te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht).
Wat appellant heeft aangevoerd over ondermijning van zijn rechten op een WAO-, WIA- of IOAW-uitkering, over ontslag en voorschotten op bijstand, gaat allemaal niet over zijn bijstandsaanvraag van 15 augustus 2016 en valt buiten het geding waarover de Raad kan oordelen. Daarom hoeft het dossier niet te worden aangevuld met processtukken over de WAO, WIA, IOAW, het ontslag en voorschotten. Het is ook niet nodig om daarover getuigen te horen. De Raad kan in deze zaak ook niet beslissen of oude zaken kunnen worden heropend.
Het hoger beroep slaagt niet.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J.M.M. van Dalen (getekend) J.N.A. Bootsma