Socialezekerheidsrecht

Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de besluit van 3 augustus 2021 volledig…

Centrale Raad van Beroep, 21 april 2022

Zaakgegevens

Op 21 april 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21 april 2022
Datum publicatie
12 mei 2022
Zaaknummer
21/3615M WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2022:1012
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de besluit van 3 augustus 2021 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in hoger beroep kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 april 2022

21/3615 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

25 augustus 2021, 20/1886 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[ex werkgever] (ex-werkgever)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. van Weersch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op 3 augustus 2021 een beslissing over nabetaling van de uitkering van appellante genomen.

Met een brief van 3 januari 2022 heeft mr. van Weersch namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, bestaande uit kosten voor de aan appellante verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de besluit van

3 augustus 2021 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskostenvergoeding voor de aan appellante in hoger beroep verleende rechtsbijstand wordt, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op

€ 759,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift). In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding €759,-.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in hoger beroep kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 759,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2022.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) H. Alajai

GdJ