Centrale Raad van Beroep, hoger beroep socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CRVB:2026:1159

Op 3 September 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van socialezekerheidsrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 25/1308 WIA, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:CRVB:2026:1159.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
25/1308 WIA
Datum uitspraak:
3 September 2026
Datum publicatie:
11 September 2026

Indicatie

Toekenning WGA-vervolguitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van de FML van 23 augustus 2024, zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor geschikt voor appellant.

Uitspraak

25/1308 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2025, 24/9322 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant per 5 maart 2023 heeft omgezet naar een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant is van mening dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom in aanmerking komt voor een IVAuitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv appellant terecht per 5 maart 2023 een WGA-vervolguitkering heeft toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Procesverloop

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Talhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Appellant heeft nadere stukken ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 juli 2026. Voor appellant is mr. Talhaoui verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van Haaften.

Overwegingen

OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als steigerbouwer voor gemiddeld 41,19 uur per week. Op 20 maart 2020 heeft hij zich ziekgemeld met belemmerende rugklachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 18 maart 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 51%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellant bij besluit van 21 december 2022 (primaire besluit) per 5 maart 2023 in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.2.

In verband met dit bezwaar heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft in haar rapport van 26 maart 2024 vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 maart 2024. De arbeidsdeskundige heeft voor appellant functies geselecteerd en in zijn rapport van 11 april 2024 de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 49,24%. Appellant heeft vervolgens een aanvullend bezwaarschrift ingediend.

1.3.

Bij besluit van 29 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 54,92%. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 augustus 2024, een aangepaste FML van 23 augustus 2024 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 augustus 2024 ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende overwogen,

2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank geeft wat appellant in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 22 augustus 2024 gemotiveerd toegelicht dat de ingebrachte bezwaren van appellant niet leiden tot aanpassing van het door de primaire verzekeringsarts ingenomen standpunt. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant geen (nieuwe) medische informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat appellant op 5 maart 2023 meer beperkingen had dan die reeds zijn opgenomen in de FML van 23 augustus 2024.

2.2.

Uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen zoals vermeld in de FML van 23 augustus 2024 is er volgens de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden en beperkingen van appellant uit de FML overschrijdt. Om die reden kan wat appellant heeft aangevoerd over de geschiktheid van de geduide functies niet slagen, nu dit is gebaseerd op het standpunt dat appellant minder functionele mogelijkheden heeft dan het Uwv heeft aangenomen.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant heeft het Uwv zijn medische beperkingen onderschat en kan hij als gevolg daarvan de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet vervullen. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aanvullende medische stukken ingediend.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de omzetting van de loongerelateerde WGA-uitkering naar een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

5.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling.

5.3.

Met betrekking tot de rugklachten heeft de primaire verzekeringsarts geconcludeerd dat er per 5 maart 2023 geen medisch aantoonbare verslechtering van de medische situatie kon worden aangetoond en dat de belastbaarheid onveranderd is. Bij eigen onderzoek was sprake van pijngedrag dat niet met aangetoonde afwijkingen overeenkomt. De verzekeringsarts heeft geen neurologische uitval kunnen vaststellen. Zij heeft de klachten geduid als aspecifieke rugklachten die appellant al voor zijn uitval had. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van de beschikbare medische gegevens, waaronder de ontvangen informatie van de huisarts van 28 maart 2024, met informatie van de radioloog van 1 april 2023, de neuroloog van 4 september 2023 en de neurochirurg van 28 september 2023, geconcludeerd dat de verzekeringsarts terecht heeft geconstateerd dat er geen evidente toename is van afwijkingen aan de rug. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wel aanleiding gezien enkele beperkingen aan de FML van 26 maart 2024 toe te voegen. Appellant kan volgens haar niet frequent ver buigen, niet een gehele dag staan en lopen en bij lang zitten moet hij de gelegenheid hebben om naar eigen keuze te kunnen zitten en staan dan wel te kunnen vertreden. Deze aanvullende beperkingen zijn opgenomen in de FML van 23 augustus 2024. Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om een toename van de medische beperkingen vanwege de rugklachten aan te nemen per 5 maart 2023.

5.4.

Wat betreft de aambeien heeft de verzekeringsarts geconstateerd dat appellant hiervoor vanaf 2021 niet meer wordt behandeld en via de huisarts medicatie krijgt, zodat geen sprake is van een gewijzigde situatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit standpunt onderschreven. De Raad heeft in de stukken geen aanknopingspunten aangetroffen die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid van dit standpunt.

5.5.

Met betrekking tot de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 4 mei 2026 nader toegelicht waarom deze geen aanleiding geven voor het aannemen van medische beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant. Weliswaar blijkt uit de informatie van de huisarts dat de behandelend psycholoog op 6 maart 2023 bij de huisarts kenbaar heeft gemaakt dat hij zich ernstig zorgen maakt over appellant en dat de huisarts en de psycholoog op 13 maart 2023 telefonisch contact hebben gehad, waarbij is afgesproken dat appellant een antidepressivum (paroxetine) krijgt, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er terecht op gewezen dat de primaire verzekeringsarts bij psychisch onderzoek geen psychopathologie heeft kunnen vaststellen, dat de informatie van de huisarts geen beschrijving bevat van bevindingen bij psychiatrisch onderzoek en dat de huisarts wel beschrijft dat sprake is van een down/depressief gevoel maar dat de diagnose depressie niet in het huisartsenjournaal wordt vermeld. De informatie van de psycholoog bevat evenmin bevindingen bij onderzoek waaruit specifieke beperkingen kunnen worden herleid. Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee overtuigend toegelicht waarom de psychische klachten van appellant per de datum in geding geen aanleiding geven voor het aannemen van medische beperkingen.

5.6.

In wat appellant daartegen heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel aan de medische beoordeling door het Uwv. Met betrekking tot de door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er terecht op gewezen dat de meeste informatie onderzoekbevindingen betreft van ruim na de datum in geding en dat het journaaloverzicht van de huisarts van 28 maart 2024, met informatie van behandelaars, al bekend was en is meegenomen in de heroverweging in bezwaar.

Arbeidskundige beoordeling

5.7.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit geeft wat appellant daartegen heeft aangevoerd, uitgaande van de juistheid van de FML van 23 augustus 2024, geen aanleiding voor het oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen
5.8.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de omzetting van de loongerelateerde WGA-uitkering naar een WGAvervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.

(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) M.J.D. van Haren