Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Reiskosten minderjarige dochter voor volgen onderwijs in Amsterdam…
Centrale Raad van Beroep, 31 maart 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:417 · Centrale Raad van Beroep · 31 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-417
Zaakgegevens
Op 31 maart 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 maart 2026
- Datum publicatie
- 14 april 2026
- Zaaknummer
- 23/1456 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:417
Samenvatting
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Reiskosten minderjarige dochter voor volgen onderwijs in Amsterdam. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er voor haar dochter geen geschikte school in de woonplaats beschikbaar was.
Uitspraak
23/1456 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 maart 2023, 22/5032 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Zitting heeft: W.F. Claessens
Griffier: J. Bonnema
Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. van Holt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Deze zaak gaat over de afwijzing van de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor de reiskosten die haar minderjarige dochter moet maken om onderwijs te volgen op een school in Amsterdam . Deze afwijzing heeft het college na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 15 september 2022 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag, zoals het college in reactie op een regiebrief van de Raad en ter zitting nader heeft toegelicht, dat de kosten voor schoolvervoer naar een Amsterdamse school in het individuele geval van appellante geen noodzakelijke kosten zijn, omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voor haar dochter geen geschikte school in [woonplaats] beschikbaar was. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarna appellante hoger beroep heeft ingesteld.
Net als in beroep komt wat in hoger beroep wordt aangevoerd erop neer dat appellante aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van noodzakelijke kosten, omdat het voor haar dochter noodzakelijk was om op een school in Amsterdam onderwijs te volgen. Appellante stelt dat in mei 2022 geen plek meer was bij een school in [woonplaats] en dat de scholen in [woonplaats] niet het vakkenpakket aanbieden dat haar dochter volgt. Ook stelt appellante dat haar dochter het in de laatste maanden van het schooljaar 2021/2022 uitstekend naar haar zin had op de school in Amsterdam en dat niet van haar kon worden verlangd dat zij in het nieuwe schooljaar weer van school zou veranderen. Ook stelt appellante dat van haar niet in redelijkheid kan worden verwacht dat informatie wordt verschaft van scholen in [woonplaats] , omdat de verwachting is dat geen informatie wordt verstrekt, omdat de minderjarige dochter niet ingeschreven staat of ingeschreven gaat worden. Deze beroepsgronden slagen niet.
De beroepsgronden zijn een herhaling van wat appellante in beroep had aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom die gronden niet slagen en heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante moet worden gelezen en voor verweerder het college:
“10. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres haar stelling dat het door haar dochter gevolgde vakkenpakket niet door scholen in [woonplaats] wordt aangeboden en dat er verder ook geen schoolplek beschikbaar was in [woonplaats] , niet nader heeft onderbouwd. Dat de scholen geen informatie verstrekken over te volgen vakken aan personen die niet als leerling aan de betreffende school staan ingeschreven, is evenmin onderbouwd.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee niet aangetoond dat de reiskosten naar de school van haar dochter noodzakelijk waren in de hiervoor in onderdeel 4. bedoelde zin. Zij heeft geen (begin van) bewijs geleverd dat haar dochter met het gewenste vakkenpakket niet op een school in [woonplaats] kon instromen, of dat er ten tijde van de wisseling van school sprake was van een zodanige spoedeisende situatie dat van eiseres niet kon worden gevergd om informatie bij scholen in [woonplaats] in te winnen. Uit het mailbericht van 19 mei 2022 van de rector van de voormalige school van de dochter blijkt dit ook niet . Dat de dochter van eiseres het op dit moment op de school in [lokatie] naar haar zin heeft, geeft de rechtbank evenmin aanleiding voor een ander oordeel.”
Appellante heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens haar onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de hiervoor weergegeven overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. Hij voegt hier aan toe dat appellante ook in hoger beroep geen bewijs heeft aangedragen voor de door haar betrokken stellingen.
De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft. Dit betekent ook dat appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het griffierecht krijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J. Bonnema (getekend) W.F. Claessens