Socialezekerheidsrecht
Vaststelling WGA-vervolguitkering op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%. Juiste FML. Zorgvuldig en…
Centrale Raad van Beroep, 22 juli 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:982 · Centrale Raad van Beroep · 22 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-982
Zaakgegevens
Op 22 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Datum publicatie
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/1474 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:982
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vaststelling WGA-vervolguitkering op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%. Juiste FML. Zorgvuldig en juist medisch onderzoek. De geselecteerde functies zijn passend voor appellant
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1474 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juni 2025, 24/3485 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WGA-vervolguitkering van appellant per 11 augustus 2022 heeft gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%. Volgens appellant heeft hij meer medische beperkingen en recht op een IVAuitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WGAvervolguitkering per 11 augustus 2022 juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingestuurd.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V.C.D. Klaassen, kantoorgenoot van mr. Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Appellant heeft voor het laatst gewerkt als operator medewerker voor 52,57 uur per week. Hij heeft zich op 14 januari 2019 ziek gemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv met ingang van 11 januari 2021 een loongerelateerde WGAuitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 58,07%. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts van 5 januari 2021 en een arbeidsdeskundige van 12 januari 2021 ten grondslag.
Op 30 maart 2022 heeft appellant het Uwv bericht dat zijn gezondheid sinds 30 maart 2022 is verslechterd en zijn beperkingen zijn toegenomen. Bij besluit van 28 april 2022 is de loongerelateerde WGA-uitkering per 11 augustus 2022 omgezet naar een WGAvervolguitkering.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 29 februari 2024 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid per 11 september 2022 (lees: 11 augustus 2022) gewijzigd vastgesteld op 57,99%. Aan dit besluit liggen ten grondslag de rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 februari 2024, een gewijzigde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 februari 2024, en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 februari 2024.
Uitspraak van de rechtbank
2. Volgens de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig en juist geweest. In zijn rapport van 6 februari 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat geen sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid. Verder heeft de rechtbank geen tegenstrijdigheden gezien in wat de behandelend specialisten vinden en de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de actuele informatie uit de curatieve sector is meegewogen. De arbeidsbeperkingen van appellant zijn gelegen in de chronische pijnklachten aan het bewegingsapparaat van onder meer de wervelkolom en extremiteiten op basis van degeneratieve afwijkingen én in de psychische klachten, met name impulsregulatieproblemen en persoonlijkheidsproblematiek. Verder is sprake van luchtwegklachten, waardoor appellant is aangewezen op fysiek relatief lichte werkzaamheden. Er dient specifiek rekening te worden gehouden met de beperkte belastbaarheid van de werkvelkolom en de armen en benen. Uit lichamelijk onderzoek blijkt een verminderde kracht in beide handen door pijn, waardoor ook het handgebruik, frequent krachtig knijpen en grijpen vermeden dient te worden. Verder blijkt uit het onderzoek van de anesthesioloog een beperkte mobiliteit van de nek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze (aanvullende) beperkingen neergelegd in de aangescherpte gewijzigde FML van 6 februari 2024. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 12 augustus 2024 overwogen dat de in de brief van Fivoor van 5 juni 2023 gemelde impulsproblematiek, zwakbegaafdheid en de specifieke persoonlijkheidsstoornis al bekend waren bij zijn beoordeling en zijn meegenomen in het vaststellen van de beperkingen. Ook het medicatieoverzicht van 18 april 2024 heeft hem geen ander beeld van de medische situatie in augustus 2022 gegeven.
In zijn aanvullende rapport van 18 december 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat bij het vaststellen van de belastbaarheid rekening is gehouden met de door Fivoor vastgestelde onderzoeksbevindingen en die zijn vertaald naar de termen van de FML. Ook ten aanzien van de fysieke beperkingen heeft de verzekeringsarts volgens de rechtbank voldoende toegelicht dat wat in beroep is aangevoerd, geen aanleiding geeft om meer beperkingen op te nemen. Appellant is voldoende in de gelegenheid gesteld om zelf nadere medische stukken in te brengen en het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te betwisten. Hij heeft hier ook gebruik van gemaakt en deze medische stukken zijn reeds bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek betrokken. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen.
Het standpunt van appellant dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn, slaagt volgens de rechtbank niet. In zijn rapport van 26 februari 2024 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overwogen dat de door hem geselecteerde functies gelet op de FML van 6 februari 2024 voor appellant passend zijn. Daarbij zijn de aangescherpte beperkingen ten aanzien van het tillen en dragen en het hand- en vingergebruik meegewogen. In zijn rapport van 19 december 2024 heeft de arbeidsdeskundige toegelicht dat op basis van de juiste indexering van het maatmanloon de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd wordt vastgesteld op 58,84%. Appellant blijft daarmee ongewijzigd arbeidsongeschikt voor 5565%.
Omdat het Uwv pas in beroep het juiste geïndexeerde maatmanloon heeft toegepast, is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genomen. De rechtbank heeft het beroep dan gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd.
Vervolgens heeft de rechtbank onderzocht of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten. Nu de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 19 december 2024 is uitgegaan van het juiste indexcijfer is volgens de rechtbank de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant juist vastgesteld op 58.84%. Omdat de juiste indexering geen gevolgen heeft voor de arbeidsongeschiktheidsklasse 55-65% en de WGA-vervolguitkering, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat nu het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is, appellant niet voldoet aan de gestelde voorwaarden voor een IVA-uitkering.
Het standpunt van appellant
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. Daarbij heeft appellant benadrukt dat het medisch onderzoek van het Uwv niet klachtgericht en onvoldoende diepgaand is geweest. Ter onderbouwing heeft appellant verwezen naar de brief van GGZ-agoog [naam] van 26 augustus 2025. Verder zijn er volgens appellant onvoldoende beperkingen, zo ontbreekt ten onrechte een urenbeperking, aangenomen en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van Fivoor, de pijnspecialist, reumatoloog en [naam] niet kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Ter zitting van de Raad heeft appellant er nog op gewezen dat hij op krukken loopt, waardoor hij meer beperkt is op het lopen dan door het Uwv is aangenomen. Ook zijn de geselecteerde functies niet passend. Ten slotte heeft appellant de Raad verzocht om een medisch deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De door appellant in hoger beroep overgelegde brief van GGZ-agoog [naam] van 26 augustus 2025, waarin hij stelt dat het medisch onderzoek door de primaire verzekeringsarts van 6 juni 2023, waarbij hij aanwezig is geweest, zeer summier was, leidt niet tot een ander oordeel. [naam] is geen (verzekerings)arts en het behoort niet tot zijn deskundigheid om een oordeel te geven over het door een verzekeringsarts verricht onderzoek.
Wat appellant ter zitting van de Raad naar voren gebracht over zijn verdergaande beperkingen voor lopen, leidt evenmin tot een ander oordeel. In het rapport van de verzekeringsarts staat dat appellant op het spreekuur op 6 juni 2023 heeft gemeld dat hij sinds een paar weken meer pijn had en daarom (weer) gebruik is gaan maken van krukken. Deze omstandigheid ziet niet op de datum in geding 11 augustus 2022.
Uit het voorgaande volgt dat er geen twijfel is aan de juistheid van de medische beoordeling, zodat het verzoek om een deskundige in te schakelen wordt afgewezen. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover aangevochten.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van B. Ucurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) B. Ucurum