Socialezekerheidsrecht
Wrakingsverzoek gedaan nadat uitspraak is gedaan.
ECLI:NL:CRVB:2012:BW5430 · Centrale Raad van Beroep · 10 mei 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/wraking/ecli-nl-crvb-2012-bw5430
Zaakgegevens
Op 10 mei 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 10 mei 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11-3005 WAO-W-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2012:BW5430
Samenvatting
Wrakingsverzoek gedaan nadat uitspraak is gedaan.
Uitspraak
11/3005 WAO-W-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum uitspraak: 10 mei 2012
Zitting hebben: mr. A. Beuker-Tilstra als voorzitter en mr. E.J.M. Heijs en mr. M. Hillen als leden Griffier: J. van Dam
Ter zitting is niemand verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om wraking niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
2. Op 20 januari 2012 heeft de Raad het hoger beroep van verzoeker behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank van ’s-Hertogenbosch van 15 april 2011, 09/3043. Bij uitspraak van 2 maart 2012, LJN BV7595, heeft de Raad deze uitspraak bevestigd, voor zover aangevochten.
3. Bij brief van 24 april 2012 heeft verzoeker verzocht om wraking van mr. J.W. Schuttel, mr. J.P.M. Zeijen en mr. C.C.W. Lange (rechters) die de uitspraak van 2 maart 2012 hebben gedaan.
4. Mr. Schuttel heeft mede namens mr. Zeijen en mr. Lange bij brief van 6 mei 2012 schriftelijk op het verzoek gereageerd en daarbij te kennen gegeven dat de rechters niet berusten in de wraking en geen gebruik maken van de uitnodiging om ter zitting van de wrakingskamer aanwezig te zijn.
5. Aan het verzoek om wraking ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat de uitnodiging voor de zitting op 20 januari 2012 op een zeer slecht moment kwam, dat mr. Schuttel verzoeker ter zitting onheus heeft bejegend, dat mr. Zeijen bij de bespreking van de zaak ter zitting vooringenomen was, dat door verzoeker ingediende stukken zijn teruggestuurd omdat deze pas op 27 januari 2012 zouden zijn ontvangen terwijl hij deze reeds bij brief van 6 januari 2012 zou hebben verstuurd en dat de uitspraak van 2 maart 2012 door geen van de rechters is ondertekend, een aaneenschakeling van fouten en onwaarheden bevat en uiterst summier is.
6. Uit artikel 8:15, eerste lid, van de Awb volgt dat een verzoek om wraking moet worden gedaan voordat uitspraak is gedaan. Nadat uitspraak is gedaan, is de zaak immers niet langer bij de rechter of rechters in behandeling. Een na de uitspraak gedaan verzoek om wraking dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
7. Nu vaststaat dat verzoeker na de uitspraak van de Raad om wraking van de rechters heeft verzocht, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Dit brengt mee dat een inhoudelijke beoordeling van wat verzoeker in het kader van zijn verzoek om wraking heeft aangevoerd, achterwege blijft.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(get.) J. van Dam (get.) A. Beuker-Tilstra
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
HD