Socialezekerheidsrecht
Afwijzing verzoek om wraking. Voorwaardelijk wrakingsverzoek wordt en eventuele volgende wrakingsverzoeken…
Centrale Raad van Beroep, 13 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1353 · Centrale Raad van Beroep · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/wraking/ecli-nl-crvb-2026-1353
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/1291 WLZ-W
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1353
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing verzoek om wraking. Voorwaardelijk wrakingsverzoek wordt en eventuele volgende wrakingsverzoeken worden niet in behandeling genomen.
Uitspraak
25/1291 WLZ-W, 25/1343 AOW-W
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum beslissing: 13 oktober 2026
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 26 januari 2023, 22/3371. Daarnaast heeft verzoeker hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2025, 24/6984.
De zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 13 augustus 2026 door J.P. Loof (behandelend rechter).
Voor sluiting van het onderzoek ter zitting heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter.
Bij brief van 7 september 2026 heeft de behandelend rechter op het verzoek om wraking gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
Verzoeker heeft op verschillende momenten diverse nadere stukken naar de Raad gezonden.
De Raad heeft het verzoek om wraking behandeld op de zitting van 6 oktober 2026. Verzoeker is verschenen. De behandelend rechter heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd “het systematisch onrechtmatig handelen door de overheid”. Daarnaast heeft verzoeker naar voren gebracht dat de bestuursrechter de overheid de hand boven het hoofd houdt, onder meer door te weigeren om de hele geschiedenis van onrechtmatig handelen jegens verzoeker door verschillende overheidsinstanties bij de beoordeling te betrekken. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoeker verwezen naar een dagvaarding van het Uwv en een betekend exploot van een gerechtsdeurwaarder overgelegd.
Tijdens de behandeling ter zitting van het wrakingsverzoek heeft verzoeker aangekondigd dat hij de wrakingskamer zal wraken wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld.
Verzoek gericht tegen behandelend rechter
Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
Naar het oordeel van de Raad blijkt uit hetgeen verzoeker ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek naar voren heeft gebracht dat het enkel is ingegeven door sterk onvrede over het handelen van verschillende overheidsorganisaties, vroeger en nu. Verzoeker heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die specifiek betrekking hebben op de behandelend rechter. Daarom kan uit het verzoek niet worden afgeleid dat en in hoeverre de rechtelijke onafhankelijkheid van de behandelend rechter schade zou kunnen leiden. Er is geen grond voor het oordeel dat sprake is van vooringenomenheid van de behandelend rechter. Het verzoek om wraking moet daarom worden afgewezen.
Voorwaardelijk wrakingsverzoek
4. De Raad stelt vast dat het onder 2.2 beschreven verzoek een voorwaardelijk geformuleerd wrakingsverzoek betreft. De Awb voorziet niet in de mogelijk tot het doen van een voorwaardelijk wrakingsverzoek.Dit betekent dat het verzoek geen wrakingsverzoek is in de zin van artikel 8:15 van de Awb. Daarom kan het verzoek niet als wrakingsverzoek in behandeling worden genomen.
Misbruik
De Raad ziet aanleiding voor het oordeel dat verzoeker misbruik maakt van de mogelijkheid om wrakingsverzoeken in te dienen. Door aan het wrakingsverzoek onrechtmatig overheidshandelen ten grondslag te leggen en geen gronden naar voren te brengen die specifiek betrekking hebben op de behandelend rechter, gebruikt verzoeker de bevoegdheid tot wraking voor een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld. Hierbij weegt de Raad mee dat verzoeker in het verleden meer dan geregeld procedures heeft gevoerd bij de Raad en andere rechterlijke instanties, waaronder de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), en in die eerdere procedures ook (voorwaardelijke) wrakingsverzoeken heeft ingediend. Hierdoor moet verzoeker weten dat wrakingsverzoeken zoals hij in deze zaken heeft ingediend niet kunnen slagen.
Nu de Raad van oordeel is dat verzoeker misbruik maakt van de mogelijkheid om wrakingsverzoeken in te dienen, zal met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb worden bepaald dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking in deze zaken niet in behandeling wordt genomen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
wijst het verzoek om wraking van de behandelend rechter af;
-
bepaalt dat het voorwaardelijke verzoek om wraking van de wrakingskamer niet in behandeling wordt genomen;
-
bepaalt dat een volgend verzoek om wraking van verzoeker in deze zaken niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door E.C.E. Marechal als voorzitter en J.D. Streefkerk en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.
De griffier De voorzitter
(getekend ) N. Gios (getekend) E.C.E. Marechal