Socialezekerheidsrecht

De Raad wijst het verzoek om wraking af.

Centrale Raad van Beroep, 27 juli 2026

Zaakgegevens

Op 27 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27 juli 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Zaaknummer
23/1051 PW-W
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:977
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De Raad wijst het verzoek om wraking af.

Uitspraak

23/1051 PW-W, 23/2171 PW-W

Datum beslissing: 27 juli 2026

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen twee uitspraken van de rechtbank Gelderland van 9 maart 2023, 22/592, en 12 juli 2023, 22/4148.

Op 15 april 2026 is verzoeker uitgenodigd voor de behandeling ter zitting van de zaken 23/1051 PW en 23/2171 PW op 9 juni 2026. Daarbij is aan hem meegedeeld dat P.W. van Straalen, W.A. Timmer en D.H. Harbers de rechters zijn die de zaken zullen behandelen (de behandelend rechters).

Bij brief van 18 mei 2026 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechters.

De behandelend rechters hebben op het verzoek om wraking gereageerd en hebben te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 13 juli 2026. Verzoeker heeft die zitting via beeldbellen bijgewoond. De behandelend rechters zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2. Verzoeker heeft aangevoerd dat er op diverse verzoeken zijnerzijds niet (tijdig) is gereageerd en dat hij (daarom) geen vertrouwen heeft in een goede behandeling van zijn zaken. Voor verzoeker is het niet duidelijk of zijn dossier compleet is. Zijn e-mails met vragen daarover worden niet of nauwelijks beantwoord en zijn bewijsstukken worden niet serieus bekeken of besproken.

3.1.

Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek staat voorop dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.

3.2.

Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting is gebleken dat verzoeker in diverse procedures, die hij (gedeeltelijk) gelijktijdig bij de rechtbank Gelderland en bij de Raad heeft gevoerd en nog steeds voert, berichten verzendt en dat hij gegevens met betrekking tot die zaken soms door elkaar haalt. Voor zover de berichten procedures bij de Raad betreffen en daar ook naartoe zijn gezonden, is daarop meestal gereageerd. Op een deel van de aan de Raad gezonden berichten was ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek (nog) niet door de Raad gereageerd. Daaruit kan echter op geen enkele wijze vooringenomenheid worden afgeleid. Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd ook niet kunnen toelichten waarom de reacties en – voor wat betreft enkele berichten – het uitblijven van reacties zou betekenen dat de behandelend rechters jegens hem vooringenomen zouden zijn.

4. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.

Deze beslissing is gegeven door L.M. Tobé als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en J.D. Streefkerk als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.

De griffier De voorzitter

(getekend) C.C.M. van ‘t Hol (getekend) L.M. Tobé