Civiel recht overig
Fideicommis de residuo, rekening en verantwoording, verklaring van erfrecht, derde.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 23 juni 2020
ECLI:NL:OGHACMB:2020:161 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 23 juni 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gemeenschappelijk-hof-van-justitie-van-aruba-curacao-sint-maarten-en-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-oghacmb-2020-161
Zaakgegevens
Op 23 juni 2020 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Datum uitspraak
- 23 juni 2020
- Datum publicatie
- 26 juni 2020
- Zaaknummer
- CUR2018H00284
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGHACMB:2020:161
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Fideicommis de residuo, rekening en verantwoording, verklaring van erfrecht, derde.
Uitspraak
Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:
Registratienummers: CUR201703820 - CUR2018H00284
Uitspraak: 23 juni 2020
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vonnis in de zaak van:
[Appellante],
wonende in Curaçao,
hierna te noemen: [Appellante],
oorspronkelijk verweerder, thans appellant,
gemachtigde: thans mr. C.A. Peterson,
tegen
-
[Geïntimeerde 1] en [Geïntimeerde 2], in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van hun minderjarige kinderen [Naam 1] en [Naam 2]
-
[Geïntimeerde 3],
-
[Geïntimeerde 4] en [Geïntimeerde 5], in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige kinderen [Naam 3], [Naam 4]en [Naam 5],
allen wonende in Nederland
hierna te noemen: [Geïntimeerden] c.s.,
oorspronkelijk eisers, thans geïntimeerden,
gemachtigde: mr. K. Frielink.
1 Het verdere verloop van de procedure
Voor het verloop tot dan toe verwijst het Hof naar zijn tussenvonnissen van 4 juli 2019 en 17 december 2019.
Overeenkomstig de opdracht in het laatste tussenvonnis hebben partijen op 28 april 2020 een akte genomen.
Vonnis is bepaald op heden.
2 Beoordeling
[Appellante] heeft, blijkens de twee op 28 april 2020 genomen aktes, nog steeds de status van verdachte, zodat hij geen verklaring van erfrecht kan verkrijgen. [Appellante] stelt dat het veel te lang duurt en dat hij mr. Sulvaran in de arm genomen heeft ter verkrijging van een rechterlijke beslissing ter zake van zijn verdachtenstatus. Het Hof ziet in de onderhavige civiele zaak, waarin het openbaar ministerie geen partij is, geen taak ter aansporing van het openbaar ministerie voor zich weggelegd, zoals verzocht door [Appellante].
Het is het Hof ambtshalve bekend dat op 7 mei 2020 is beslist op het door [Geïntimeerden] c.s. gedane verzoek tot benoeming van een vereffenaar inzake de nalatenschap van [Naam 3].
Het Hof zal de zaak aanhouden tot een nader te vermelden tijdstip. Wellicht is er dan duidelijkheid omtrent [Appellante] status als verdachte.
Beide partijen dienen, gelijktijdig, een akte te nemen over de status van [Appellante] als verdachte en over de vraag of, nu een vereffenaar is benoemd, nog voldoende belang bestaat bij voortzetting van de huidige procedure. Wat dit laatste betreft verwijst het Hof naar zijn tussenvonnis van 17 december 2019, rov. 2.4-2.5.
Daarna zullen beide partijen de gelegenheid hebben voor een gelijktijdige antwoordakte (P1).
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3 Beslissing
Het Hof:
- laat partijen toe gelijktijdig de in rov. 2.4 bedoelde aktes te nemen;
- verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 25 augustus 2020 voor akte uitlating zijdens partijen P1;
- bepaalt dat de zaak na ontvangst van voormelde aktes zal worden verwezen naar de rol voor antwoordakte P1.
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, M.B. van den Enden en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 23 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.