Civiel recht overig
schadevergoeding onrechtmatige daad bij mishandeling
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 17 juli 2021
ECLI:NL:OGHACMB:2021:248 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 17 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gemeenschappelijk-hof-van-justitie-van-aruba-curacao-sint-maarten-en-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-oghacmb-2021-248
Zaakgegevens
Op 17 juli 2021 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Datum uitspraak
- 17 juli 2021
- Datum publicatie
- 25 augustus 2021
- Zaaknummer
- CUR2020H00083
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGHACMB:2021:248
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
schadevergoeding onrechtmatige daad bij mishandeling
Uitspraak
Burgerlijke zaken over 2021 Vonnis no.:
Registratienummers: CUR201902450 – CUR2020H00083
Uitspraak: 27 juli 2021
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vonnis in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in Curaçao,
hierna te noemen: appellant,
oorspronkelijk gedaagde, thans appellant,
gemachtigde: mr. S.C. Larmonie,
tegen
[GEINTIMEERDE],
wonende in Nederland,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
oorspronkelijk eiser, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. E. Bokkes.
1 Het verder verloop van de procedure
Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn tussenvonnissen van 9 februari 2021 en 4 mei 2021. In het laatste tussenvonnis is [appellant] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen hetgeen in het strafvonnis van 8 juli 2020, parketnummer 510.00045/18, bewezen is verklaard.
Bij e-mail van 13 juli 2021 heeft de gemachtigde van [appellant] het volgende gesteld:
‘Het is [appellant] echter niet gelukt om nadere relevante stukken te vergaren om alsnog in te dienen en ook niet om personen zover te krijgen om een mogelijk getuigenverhoor te ondergaan, reden waarom [appellant] ongewild aan uw Hof hierbij te kennen moet geven geen gehoor aan het bewijsopdracht zoals bij Hofvonnis van 4 mei 2021 te kunnen geven.’
Uitspraak is bepaald op heden.
2 Beoordeling
[appellant] heeft in hoger beroep een bewijs van onvermogen overgelegd (productie 8 bij akte uitlating van 9 maart 2021) en kan worden toegelaten in hoger beroep kosteloos te procederen.
Doordat is afgezien van tegenbewijslevering, is thans op basis van het strafvonnis bewezen dat [appellant] omstreeks 15 september 2018, opzettelijk mishandelend, [geïntimeerde] opzettelijk éénmaal met kracht tegen het oog heeft geslagen, ten gevolge waarvan [geïntimeerde] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden, zonder dat aannemelijk is dat [geïntimeerde] [appellant] aanviel. Voorts is het bestaan van schade van [geïntimeerde] bewezen.
Vast staat daarom dat [appellant] jegens [geïntimeerde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd die [appellant] kan worden toegerekend, met de schade aan het oog van [geïntimeerde] tot gevolg.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd. [appellant] dient de kosten van het hoger beroep te dragen.
Beslissing
Het Hof:
- laat [appellant] toe in hoger beroep kosteloos te procederen;
- bevestigt het bestreden vonnis, en
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op NAf 6.000,- aan gemachtigdensalaris en NAf 302,50 aan verschotten.
Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, O. Nijhuis en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 27 juli 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.