Civiel recht overig
intrekking hoger beroep-geen belang hoger beroep ogv proceskostenveroordeling
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 16 augustus 2022
ECLI:NL:OGHACMB:2022:227 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 16 augustus 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gemeenschappelijk-hof-van-justitie-van-aruba-curacao-sint-maarten-en-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-oghacmb-2022-227
Zaakgegevens
Op 16 augustus 2022 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Datum uitspraak
- 16 augustus 2022
- Datum publicatie
- 31 januari 2023
- Zaaknummer
- CUR2021H00200
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGHACMB:2022:227
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
intrekking hoger beroep-geen belang hoger beroep ogv proceskostenveroordeling
Uitspraak
Burgerlijke zaken over 2022
Registratienummer: CUR202101268 - CUR2021H00200
Uitspraak: 16 augustus 2022
VONNIS
In de zaak van:
1 [appellant 1],
2 [appellant 2],
3. [appellant 3],
in hun hoedanigheid van “Joint Trustees” naar het recht van het Verenigd Koninkrijk in het faillissement van [geïntimeerde],
wonende en kantoorhoudende in [woonplaats],
oorspronkelijk eisers,
thans appellanten,
gemachtigden: voorheen mrs. J. Eichhorn en M.Th. Aanstoot, thans mrs. M.R. Hammoud en W. Princée,
tegen
1 [geïntimeerde],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in [locatie] of in het buitenland,
2. de naamloze vennootschap QAPA INVESTING CORPORATION N.V.,
gevestigd in Curaçao,
3. de besloten vennootschap INTERTRUST (CURACAO) B.V.,
gevestigd in Curaçao,
oorspronkelijk gedaagden,
thans geïntimeerden,
gemachtigden: mrs. D.C. Narvaez en R.F. van den Heuvel.
De partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Voor het procesverloop in eerste aanleg wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen en op 21 juni 2021 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht). Bij akte van hoger beroep, ingediend ter griffie op 12 juli 2021 is [appellanten] in hoger beroep gekomen van het vonnis.
Op 3 augustus 2021 heeft [appellanten] een memorie van grieven, tevens houdend akte tot wijziging en/of aanvulling van eis ingediend waarbij grieven zijn voorgedragen en toegelicht. [appellanten] heeft in de memorie geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen voor zover haar vorderingen zijn afgewezen en, opnieuw rechtdoende, deze vorderingen alsnog zal toewijzen met inachtneming van de in appel gewijzigde en/of aangevulde eisen, met hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten ad NAf 250,- zonder betekening en NAf 400 in geval van betekening, alle kosten te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf de vijftiende dag na het vonnis.
Bij op 31 augustus 2021 ingediende memorie van antwoord heeft [geïntimeerden] de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de vorderingen van [appellanten] in hoger beroep zal afwijzen, althans niet meer toe te wijzen dan datgene waar [appellanten] ook volgens [geïntimeerden] recht op hebben. Op gelijke datum heeft [geïntimeerden] incidenteel appel ingesteld waarbij een grief is voorgedragen en toegelicht en is geconcludeerd dat het Hof het vonnis in eerste aanleg zal vernietigen voor zover de grieven in het incidenteel appel dat met zich brengen. In het principaal en incidenteel appel heeft [geïntimeerden] verzocht om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep en in eerste aanleg, onder terugbetaling van al [geïntimeerden] reeds hebben betaald ter voldoening aan het vonnis in eerste aanleg.
Bij op 28 september 2021 ingediende memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [appellanten] de grief bestreden en geconcludeerd dat het Hof zal bepalen dat de door [geïntimeerde] geformuleerde grief faalt en om de in eerste aanleg door het Gerecht uitgesproken veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten zal bevestigen en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van het incidenteel appel.
Op de nader voor pleidooi bepaalde dag hebben partijen een pleitnota ingediend.
Bij e-mail van 21 maart 2022 heeft [appellanten] het principaal appel en de eiswijziging/aanvulling van 2 augustus 2021 ingetrokken.
Nu [appellanten] te kennen heeft gegeven het hoger beroep te willen intrekken, komt het Hof op processuele gronden niet toe aan een behandeling van de zaak ten principale. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellanten] in het hoger beroep (vergelijk: HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0505 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337).
Het Hof zal [appellanten] veroordelen in de proceskosten van [geintimeerden] in hoger beroep.
Incidenteel appel
Met de grief in incidenteel appel komt [geïntimeerden] op tegen de proceskostenveroordeling van [geïntimeerden] in eerste aanleg. Zij voert hiertoe aan dat zij, anders dan het Gerecht heeft overwogen, geen niet-ontvankelijkheid heeft bepleit, maar dat zij bereid was om vrijwillig aan de eisen van [appellanten] te voldoen en dat de proceskosten dus nodeloos zijn gemaakt. Niet [geïntimeerden], maar [appellanten] had daarom in de proceskosten moeten worden veroordeeld. Hier komt bij dat de belangrijkste vorderingen van [appellanten] in eerste aanleg zijn afgewezen, zodat het ook om die reden op zijn plaats was om [appellanten] in de proceskosten te veroordelen.
Appellanten] heeft het Hof verzocht om op de voet van artikel 281b Rv te bepalen dat een veroordeling in de proceskosten geen voldoende belang oplevert voor het hoger beroep.
Het Hof acht de kostenveroordeling in eerste aanleg van onvoldoende belang voor het hoger beroep (artikel 281b Rv). In hetgeen [geïntimeerden] heeft aangevoerd ziet het Hof geen aanleiding hierover anders te oordelen. Het Hof zal dan ook het incidenteel hoger beroep verwerpen en [geïntimeerde] veroordelen in de proceskosten van het incidenteel appel.
3 Beslissing
Het Hof:
principaal appel
verklaart [appellanten] niet ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op NAf 322.93 aan verschotten en NAf 4.500,- aan gemachtigdensalaris;
incidenteel appel
verwerpt het incidenteel appel;
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten aan de zijde van [appellanten] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op NAf 322,93 aan verschotten en NAf 4.500,- aan gemachtigdensalaris.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G. Lewin en S. Verheijen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curacao uitgesproken op 16 augustus 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.