Civiel recht overig
Aruba. Ontheffing uit ouderlijk gezag.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 9 juni 2026
ECLI:NL:OGHACMB:2026:147 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 9 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gemeenschappelijk-hof-van-justitie-van-aruba-curacao-sint-maarten-en-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-oghacmb-2026-147
Zaakgegevens
Op 9 juni 2026 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Datum publicatie
- 11 juni 2026
- Zaaknummer
- AUA2025H00010
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGHACMB:2026:147
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Aruba. Ontheffing uit ouderlijk gezag.
Uitspraak
Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: AUA202303100 – AUA2025H00010
Uitspraak: 9 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[DE MOEDER],
wonende in Aruba,
in eerste aanleg verweerster, thans appellante,
procederende in persoon,
tegen
[DE GROOTMOEDER],
wonende in Aruba,
in eerste aanleg verzoekster, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. G.L. Griffith.
Partijen worden hierna de moeder en de grootmoeder genoemd.
1 Het verloop van de procedure
Bij op 14 januari 2025 ingekomen beroepschrift is de moeder in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 3 december 2024 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba.
Op 15 september 2025 heeft een mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgehad. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Het Hof heeft de Voogdijraad opgedragen aanvullend onderzoek te doen en daarover te rapporteren.
De Voogdijraad heeft een onderzoeksrapport van 13 maart 2026 aan het Hof toegezonden.
Op 30 maart 2026 heeft opnieuw een mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgehad. De moeder is deugdelijk opgeroepen, maar niet verschenen. De grootmoeder is verschenen met haar gemachtigde. Namens de Voogdijraad was raadsonderzoeker M. Loopstok aanwezig. Ook was S. Torres aanwezig als tolk.
Beschikking is aangezegd en bepaald op vandaag.
2 De beoordeling
Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal het Hof de moeder toelating verlenen om in hoger beroep kosteloos te procederen.
Feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
De moeder heeft een relatie gehad met [de vader] (hierna: de vader). Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren. De jongste van deze twee kinderen is [de minderjarige], geboren op [datum] in [plaats] (hierna: de minderjarige). De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder oefende van rechtswege alleen het gezag uit over de minderjarige.
Sinds 2020 woont de minderjarige bij zijn grootmoeder vaderszijde, geïntimeerde in dit geding.
Verzoeken
In dit geding heeft de grootmoeder het Gerecht verzocht:
- de moeder te ontzetten van het ouderlijk gezag over de minderjarige;
- de grootmoeder te benoemen tot voogd over de minderjarige; en
- te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de moeder zal zijn.
Beslissingen van het Gerecht
Bij tussenbeschikking van 13 februari 2024 heeft het Gerecht de Voogdijraad verzocht rapport uit te brengen.
Nadat de Voogdijraad een onderzoeksrapport van 3 september 2024 aan het Gerecht had toegezonden, heeft het Gerecht bij de bestreden eindbeschikking van 3 december 2024 de moeder ontheven van het gezag over de minderjarige en de grootmoeder benoemd tot voogd over de minderjarige.
Beoordeling door het Hof
Op 30 maart 2026 is de mondelinge behandeling opnieuw aangevangen vanwege een rechterswisseling.
In hoger beroep heeft de moeder zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek waarop het rapport van de Voogdijraad van 3 september 2024 (hierna: het eerste rapport) is gebaseerd, eenzijdig is geweest. Verder heeft zij problemen met de omgang met de minderjarige aan de orde gesteld. Mede naar aanleiding hiervan heeft het Hof de Voogdijraad opgedragen aanvullend onderzoek te doen. De resultaten van dat aanvullende onderzoek zijn vermeld in het rapport van 13 maart 2026 (hierna: het tweede rapport).
In het onderzoek dat tot het eerste rapport heeft geleid, heeft de raadsonderzoeker herhaaldelijk getracht de moeder te spreken te krijgen, maar is dat niet gelukt. In het onderzoek dat tot het tweede rapport heeft geleid, is dat wel gelukt. In het tweede rapport heeft de raadsonderzoeker onder meer gerapporteerd:
[citaat]
Op grond van al het voorgaande is het Hof van oordeel dat de moeder ongeschikt is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen en dat het belang van de minderjarige zich er niet tegen verzet dat de moeder wordt ontheven van het gezag over de minderjarige. De beslissing van het Gerecht om dat te doen, dient daarom in stand te blijven.
Ook de beslissing van het Gerecht om de grootmoeder te benoemen tot voogd over de minderjarige, dient in stand te blijven. Niet alleen heeft de raadsonderzoeker gerapporteerd dat de grootmoeder de verzorging en opvoeding naar behoren voert en dat er geen zorgen zijn, maar ook de moeder heeft tegenover de raadsonderzoeker beaamd dat de grootmoeder een goede grootmoeder is.
Het Hof twijfelt er niet aan dat de grootmoeder als voogd het recht van de moeder op omgang met de minderjarige en het recht van de minderjarige op omgang met de moeder zal respecteren en dat zij met een goed oog voor het belang van de minderjarige eraan zal bijdragen dat deze omgang in stand blijft en zo goed mogelijk wordt ingevuld. Er ligt echter geen verzoek voor om hier enige beslissing over te nemen.
Het hoger beroep slaagt niet. De beschikking waarvan beroep dient te worden bevestigd. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, E.M. van der Bunt en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.