Civiel recht overig

Sint Maarten. Kort geding. Ontruiming winkelpand. Gederfde huur.

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
13 augustus 2026
Zaaknummer
SXM2025H00024
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:OGHACMB:2026:205
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Sint Maarten. Kort geding. Ontruiming winkelpand. Gederfde huur.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Zaaknummers: SXM202500124 – SXM2025H00024

Uitspraak: 28 juli 2026 (in Curaçao)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in kort geding in de zaak van:

de naamloze vennootschap

[VENNOOTSCHAP] N.V.,

gevestigd in Sint Maarten,

in eerste aanleg eiseres, thans appellante,

gemachtigde: mr. V.C. Choennie,

tegen

[DE VROUW],

ook bekend als [de vrouw],

handelende onder de naam [handelsnaam 1],

wonende in Sint Maarten,

in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G. Bloem.

Partijen worden hierna [vennootschap] en de vrouw genoemd.

1 De zaak in het kort

In dit kort geding zijn een vordering tot ontruiming van een winkelpand en een vordering tot vergoeding van gederfde huur aan de orde.

Het Gerecht heeft de vorderingen afgewezen.

In dit hoger beroep komt het Hof tot dezelfde uitkomst.

2 Het verloop van de procedure

2.1

Bij op 11 april 2025 ingekomen akte van appel is [vennootschap] in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op 21 maart 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht).

2.2

Bij memorie van grieven van 11 april 2025, met producties, heeft [vennootschap] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van de vrouw tot betaling van de verschuldigde huur vanaf oktober 2022 tot aan de dag van de ontruiming en met haar veroordeling in de proceskosten in beide instanties.

2.3

De vrouw heeft geen memorie van antwoord ingediend.

2.4

Op 22 oktober 2025 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. Aan de pleitnotities van [vennootschap] zijn producties gehecht.

2.5

Vonnis is bepaald op vandaag.

3 De beoordeling

Feitelijke uitgangspunten

3.1

Het Hof gaat uit van het volgende.

3.1.1

In 2001 is de vrouw getrouwd met [de man] (hierna: de man).

In 2003 is uit dit huwelijk [de dochter] geboren (hierna: de dochter).

[De moeder] (hierna: de moeder) is de moeder van de man.

3.1.2

Bij beschikking van 21 oktober 2024 heeft het Gerecht de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. Bij beschikking van 25 november 2024 heeft het Gerecht bepaald dat de man met ingang van 1 december 2024 partneralimentatie van USD 785 per maand zal betalen. Van die beschikking is de man in hoger beroep gekomen. Het is het Hof ambtshalve bekend dat het Hof de alimentatiebeschikking heeft bevestigd bij beschikking van 15 april 2025 (zaaknummer SXM2025H00004). Ten tijde van het in dit kort geding bestreden vonnis (21 maart 2025) had de man geen partneralimentatie betaald.

3.1.3 [

[vennootschap] heeft (onder meer) winkelruimte aan [adres 1], Philipsburg in eigendom (hierna: de winkelruimte). Sinds eind 2017/begin 2018 is op dat adres een damesmodewinkel gevestigd.

In het handelsregister is op dat adres de eenmanszaak [handelsnaam 1] ingeschreven op naam van de vrouw, met als datum van infunctietreding 5 januari 2018. In het handelsregister is vermeld dat deze onderneming is gestaakt op 30 september 2023.

Verder is in het handelsregister op dat adres de eenmanszaak [handelsnaam 2] ingeschreven op naam van de dochter, met als datum van infunctietreding 26 september 2023.

[vennootschap] is in het handelsregister ingeschreven op de adressen [adressen 1, 2 en 3] met de moeder als managing director en met als datum van haar infunctietreding 22 januari 2025.

3.1.4 [

[vennootschap] heeft in eerste aanleg een geschrift overgelegd dat eruitziet als een huurcontract waarbij [vennootschap] de winkelruimte aan de vrouw verhuurt (hierna: het huurcontract). Het huurcontract vermeldt in drukletters dat de huurovereenkomst op 6 oktober 2008 is aangegaan. Hierbij is met de hand de datum 1 januari 2018 geschreven en een paraaf gezet. In art. 2.1 vermeldt het huurcontract in cijfers dat de huur USD 3.000 per maand bedraagt, maar in letters dat de huur Three Thousand Five Hundred United States Dollars bedraagt. Met de hand is Five Hundred doorgestreept. Daarbij is een paraaf gezet. Het huurcontract is op alle pagina’s geparafeerd met twee parafen die er verschillend uitzien. Het is zowel in de ruimte voor de verhuurder als in de ruimte voor de huurder ondertekend. Deze handtekeningen zien er ook verschillend uit.

3.1.5

Bij e-mail van 28 augustus 2023 heeft de man bij de vrouw aanspraak gemaakt op betaling van huur voor de winkel, met de opmerking dat er een betalingsachterstand bestaat.

Vorderingen

3.2

In dit kort geding heeft [vennootschap] gevorderd, verkort weergegeven:

a. ontruiming van de winkelruimte (wegens huurachterstand);

b. betaling van USD 91.350 als voorschot op (schadevergoeding wegens) gederfde huurinkomsten en verschenen rente, te vermeerderen met wettelijke rente.

Beslissingen van het Gerecht

3.3

Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vorderingen afgewezen. Het Gerecht heeft bij wijze van ordemaatregel bepaald dat de vrouw de winkelruimte mag blijven gebruiken zolang zij USD 785 per maand aan [vennootschap] betaalt als voorschot op een gebruiksvergoeding, indien en zolang de man daadwerkelijk de door het Gerecht bepaalde partneralimentatie betaalt.

3.4

Aan deze beslissingen heeft het Gerecht de volgende overwegingen ten grondslag gelegd, verkort weergegeven.

Het Gerecht gaat voorshands ervan uit dat tussen partijen geen huurovereenkomst tot stand is gekomen (4.2).

De ordemaatregel is genomen op de grond dat de vrouw anders ongerechtvaardigd zou kunnen worden verrijkt, terwijl [vennootschap] een gerechtvaardigd belang heeft bij de ontvangst van enige gebruiksvergoeding (4.3).

Beoordeling door het Hof

3.5

De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen de feitelijke uitgangspunten die het Gerecht heeft geformuleerd onder rov. 2.1 en 2.2 van het bestreden vonnis. Hiermee heeft het Hof rekening gehouden bij zijn eigen overzicht van feitelijke uitgangspunten (zie rov. 3.1.3-3.1.5 hiervoor). De grieven behoeven voor het overige geen bespreking.

3.6

Onder rov. 4.1 van het bestreden vonnis heeft het Gerecht overwogen dat indien de verweren van de vrouw doel treffen, dit niet leidt tot niet-ontvankelijkheid maar tot afwijzing van de vorderingen van [vennootschap]. Grief 3 gaat blijkens de toelichting ervan uit dat het Gerecht heeft overwogen dat de vorderingen van [vennootschap] niet-ontvankelijk zijn, maar dat heeft het Gerecht niet overwogen. De grief faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

3.7

Grief 4 is gericht tegen de beslissing van het Gerecht om voorshands ervan uit te gaan dat tussen partijen geen huurovereenkomst tot stand is gekomen en tegen de overwegingen die het Gerecht ten grondslag heeft gelegd aan die beslissing (onder rov. 4.2 van het bestreden vonnis).

3.8 [

[vennootschap] heeft het volgende aangevoerd, verkort weergegeven. Begin 2018 heeft de man de onderneming [handelsnaam 1] opgericht, die de kledingzaak in de winkelruimte ging exploiteren. De man heeft deze onderneming onder de naam van de vrouw doen registreren, maar in werkelijkheid was de man zelf als enige betrokken bij de exploitatie van de winkel; de vrouw was daar niet bij betrokken. Verder stond de man op aanraden van zijn overleden vader geregistreerd als bestuurder van [vennootschap]. [vennootschap] heeft niet betwist dat de man het huurcontract zowel namens [vennootschap] als namens de vrouw heeft ondertekend. Kennelijk acht [vennootschap] dat onder voornoemde omstandigheden gerechtvaardigd. De man betaalde USD 3.000 per maand aan huur aan [vennootschap]. Dat was hij overeengekomen met zijn moeder. In september 2022 heeft de vrouw zich de sleutels van de winkel toegeëigend en de man de toegang tot de winkel ontzegd. Vanaf toen exploiteerde de vrouw de winkel zonder huur te betalen, aldus [vennootschap].

3.9

De vrouw heeft aangevoerd dat zij de winkel sinds januari 2018 exploiteert. Aanvankelijk deed zij dit samen met de man. Daarvoor is nooit enige huur in rekening gebracht of betaald. Vóór de e-mail van 28 augustus 2023 heeft de man eenmaal gedreigd huur te gaan vorderen. Het huurcontract is een valselijk opgemaakt stuk dat de vrouw pas in 2024 in handen kreeg, aldus de vrouw.

3.10

Voor toewijzing van een vordering in kort geding is een zekere mate van zekerheid nodig dat de aan de vordering ten grondslag liggende stellingen juist zijn. Net als het Gerecht kan het Hof in dit geding niet met de aldus benodigde mate van zekerheid vaststellen dat overeengekomen is dat de exploitant van de winkelruimte huur zou betalen aan [vennootschap]. De stellingen van partijen staan tegenover elkaar. In dit kort geding is geen plaats voor bewijslevering. Het Hof acht daarom niet voldoende aannemelijk dat de vrouw huur aan [vennootschap] verschuldigd is voor gebruik van de winkelruimte. Daarmee ontbreekt de grondslag van zowel de vordering tot ontruiming als de vordering tot betaling.

3.11 [

[vennootschap] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat ondanks de hiervoor omschreven onzekerheid een belangenafweging tot toewijzing van de vorderingen zou moeten leiden. Dat geldt zowel voor de vordering tot ontruiming als voor de vordering tot betaling.

3.12

Grief 4 faalt.

3.13

Grief 5 is gericht tegen rov. 4.3, waarin het Gerecht motiveert waarom het de ordemaatregel treft.

3.14

Het is het Hof niet toegestaan de ordemaatregel te vernietigen. Dat zou immers ertoe leiden dat [vennootschap] slechter wordt van haar eigen hoger beroep. Het Hof ziet ook geen aanleiding om iets aan de ordemaatregel te wijzigen ten gunste van [vennootschap]. Gelet op de familieverhoudingen had het Gerecht goede grond om (op basis van voorshandse oordelen) bij zijn ordemaatregel een koppeling te maken tussen de partneralimentatie en de gebruiksvergoeding, ook al is de partij die de partneralimentatie moet betalen een andere dan de partij aan wie het voorschot op de gebruiksvergoeding moet worden betaald. Voor verhoging van het door het Gerecht in de ordemaatregel bepaalde voorschot op de gebruiksvergoeding ziet het Hof geen aanleiding.

3.15

Voor zover [vennootschap] bij haar pleitaantekeningen nieuwe stellingen heeft betrokken, is dat te laat. De vrouw heeft daar niet meer op kunnen reageren. Overigens leidt hetgeen [vennootschap] bij haar pleitaantekeningen heeft aangevoerd en onderbouwd met nieuwe producties, indien dat toch in de beoordeling wordt betrokken, niet tot enig ander oordeel.

3.16

Alle grieven falen. Het Hof heeft ambtshalve geen bedenkingen bij het vonnis waarvan beroep. Het dient te worden bevestigd. [vennootschap] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [vennootschap] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de vrouw gevallen en tot op heden begroot op Cg 1.000,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.