Civiel recht overig
Sint Maarten. Ontruiming verhuurd perceel waarop een woning is gebouwd.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 28 juli 2026
ECLI:NL:OGHACMB:2026:212 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 28 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gemeenschappelijk-hof-van-justitie-van-aruba-curacao-sint-maarten-en-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-oghacmb-2026-212
Zaakgegevens
Op 28 juli 2026 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- SXM2024H00140
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGHACMB:2026:212
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Sint Maarten. Ontruiming verhuurd perceel waarop een woning is gebouwd.
Uitspraak
Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM202400629 – SXM2024H00140
Uitspraak: 28 juli 2026 (in Curaçao)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in kort geding in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellant,
gemachtigden: mrs. B. Brooks en T.T.P. Heymans,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres,
thans geïntimeerde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1 De zaak in het kort
Dit kort geding betreft de vraag of een verhuurd perceel, waarop een woning is gebouwd, ontruimd moet worden. Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht) heeft in het vonnis van 20 september 2024 de ontruiming bevolen. Het Hof bevestigt dat vonnis.
2 Het verloop van de procedure
appellant] heeft met een op 11 oktober 2024 ingediende akte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht. Hij heeft op 1 november 2024 een memorie van grieven (met producties) ingediend.
geïntimeerde] heeft op 10 december 2024 een memorie van antwoord (met producties) ingediend.
Op de zitting van het Hof van 14 mei 2025 hebben beide partijen pleitnotities overgelegd. Wederzijds zijn daarbij aanvullende producties overgelegd. Vonnis is nader bepaald op vandaag.
3 De beoordeling
De vaststaande feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
Tussen [perceeleigenaar] (verhuurder, verder: [perceeleigenaar]) en [gedaagde 2] (huurder, verder: [gedaagde 2]) is een huurovereenkomst gesloten voor een perceel aan [adres], Sint Maarten (verder ook: het perceel). De looptijd van de huurovereenkomst was van 16 augustus 1999 tot 16 augustus 2009. De huur bedroeg USD 100 per maand. Namens verhuurder is de overeenkomst getekend door [geïntimeerde]. De huur diende betaald te worden op de rekening van [geïntimeerde]. Op het verhuurde perceel is een woning gebouwd.
Bij brief van 3 juli 2023 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aan [gedaagde 2] geschreven:
(…)
Our office has been retained by … [[geïntimeerde], toevoeging Hof] acting as proprietor of a parcel of land (…).
On August 16th 1999 you entered in to an lease agreement with my client (…).
In the lease agreement it is stipulated that as of the expiration date (Aug 16 2009) the lessee would vacate the premises and would break down everything build by the lessee, and to leave the parcel of land in the same state as before the commencement of the lease agreement. You never complied with the above mentioned. Instead, you ignored the several letters of my client and subleased the parcel of land without the permission of my client.
The last payment my client received from you was in October 2021. Client wishes to inform you again that the lease agreement has ended and therefore you are summoned to vacate the premises effective immediately and no later than July 14th 2023. Furthermore, you are hereby ordered to have the property returned to its original state prior to the commencement of the lease agreement.
Please note that there is a current outstanding of 20 months of rent being a total amount of $ USD 2000,-
(…)
appellant] en zijn meerderjarige dochter woonden ten tijde van het instellen van de vordering in eerste aanleg in de woning op het gehuurde perceel.
De vordering en de beslissing van het Gerecht
geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat, veroordeling van [appellant] en [gedaagde 2] tot ontruiming van het perceel in kwestie (op straffe van verbeurte van een dwangsom) en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de proceskosten (inclusief nakosten en wettelijke rente daarover).
Het Gerecht heeft de vordering tegen [gedaagde 2] (bij verstek) toegewezen. Ten aanzien van [appellant] is geoordeeld dat deze het bestaan van een huurovereenkomst tussen hem en [geïntimeerde] niet aannemelijk heeft gemaakt en hij om die reden zonder recht of titel op het perceel verblijft. Op die grond is de vordering ook jegens hem toegewezen. [appellant] en [gedaagde 2] zijn in de proceskosten veroordeeld.
Een enkel procedureel punt
In eerste aanleg was ook [gedaagde 2] (gedaagde) partij. Hij is niet in hoger beroep gekomen van het, ook tegen hem gewezen, vonnis van het Gerecht. Het Hof beoordeelt dat vonnis daarom alleen voor zover het [appellant] aangaat.
geïntimeerde] heeft spoedeisend belang bij de ontruiming van het perceel omdat zij stelt het perceel leeg en onbewoond te gaan verkopen. Dat spoedeisend belang heeft zij kennelijk nog steeds omdat uit de processtukken niet blijkt dat het perceel inmiddels is ontruimd.
De grieven
appellant] heeft drie genummerde grieven opgeworpen tegen het vonnis van het Gerecht. Met die grieven is het geschil in volle omvang aan het Hof voorgelegd. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
De gestelde huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant]
appellant] stelt, ook in hoger beroep, dat tussen hem en [geïntimeerde] stilzwijgend een huurovereenkomst is totstandgekomen. Hij onderbouwt dat aldus:
- [ geïntimeerde] wist dat [appellant], samen met zijn toenmalige echtgenote en dochter, vanaf enig moment woonde in het door hem en zijn broer [gedaagde 2] op het perceel gebouwde huis;
- [ gedaagde 2] is in 2005 vertrokken van het perceel; [appellant], zijn echtgenote en dochter zijn er toen blijven wonen; [gedaagde 2] heeft Sint Maarten in 2012 verlaten;
- de huur is tijdens de looptijd van de huurovereenkomst zowel door [gedaagde 2] als door hem betaald;
- over de periode na 1 september 2009 is de huur uitsluitend door [appellant] betaald;
- tussen [geïntimeerde] en [gedaagde 2] is jarenlang onderhandeld over verkoop van het perceel; na het vertrek van [gedaagde 2] is daarover onderhandeld tussen [geïntimeerde] en [appellant].
geïntimeerde] beroept zich erop dat zij bevoegd is om van [appellant] te eisen dat hij het perceel ontruimt, omdat hij niet het recht heeft om er te verblijven. [appellant] ontkent dit laatste en wijst er op diverse plaatsen in zijn processtukken onder meer op dat onduidelijk is in welke hoedanigheid [geïntimeerde] optreedt en wat haar relatie met [perceeleigenaar] is. Het Hof ziet dat in de openbare registers bij het Kadaster [perceeleigenaar] als eigenaar van het perceel staat vermeld, en niet [geïntimeerde]. Maar [appellant] heeft niet gevraagd om gevolgen te verbinden aan de door hem gesignaleerde onduidelijkheden. Daarom zal het Hof in dit kort geding daarop niet verder ingaan en zal het ervan uitgaan dat [geïntimeerde] optreedt als eigenaar of rechtsgeldig namens de eigenaar.
appellant] stelt dat hij huurder is van het perceel en op grond van een tussen hem en [geïntimeerde] gesloten huurovereenkomst het recht heeft om er te wonen. Indien de gestelde huurovereenkomst bestaat, valt de grondslag onder de vordering van [geïntimeerde] weg. Het beroep hierop is daardoor een bevrijdend verweer. Stelplicht en bewijslast daarvan rusten op [appellant].
geïntimeerde] heeft de door [appellant] gestelde feiten gemotiveerd weersproken. Als er niettemin van wordt uitgegaan dat [appellant] samen met [gedaagde 2] op het perceel een of meer woningen heeft gebouwd, dat hij daar met zijn dochter is gaan wonen, dat [gedaagde 2] daarvandaan is vertrokken in 2005, dat [appellant] c.s. daar toen zijn blijven wonen en dat [geïntimeerde] dat alles wist, brengt dat echter nog niet mee dat zij hem accepteerde als (opvolgend) huurder en het gebruik van het perceel om die reden aan [appellant] liet. Het feit dat de huur tot 1 september 2009 deels door [appellant] is betaald en die betaling door [geïntimeerde] is aanvaard, maakt dat niet anders. Het stond [appellant] vrij namens [gedaagde 2] te betalen en er was voor [geïntimeerde] geen reden om die betaling anders te duiden dan als een namens [gedaagde 2] gedane betaling. [gedaagde 2] was immers volgens de schriftelijke huurovereenkomst de (enige) huurder.
Van reguliere betaling van de huur (maandelijks USD 100) door [appellant] is na 1 september 2009 bovendien geen sprake geweest en dus evenmin van maandelijkse aanvaarding van enige betaling als huurbetaling door [appellant].
De op 13 oktober 2021 door [geïntimeerde] aan [gedaagde 2] gestuurde factuur voor de huur over de periode van 1 september 2009 tot 1 oktober 2021 van in totaal USD 14.600 is door [appellant] betaald. Dat geldt ook voor de per 6 juli 2023 bestaande achterstand in huurbetalingen van 20 maanden (USD 2.000) nadat [gedaagde 2] tot betaling daarvan was gesommeerd. Er was daarom voor [geïntimeerde] ook al geen reden om deze betalingen anders te duiden dan als namens [gedaagde 2] gedane (huur)betalingen, althans was er geen reden die betalingen anders te duiden dan als vergoeding voor het onrechtmatig gebruik van het perceel door [gedaagde 2] en/of [appellant] en zijn dochter.
Uit de door [geïntimeerde] overgelegde mailcorrespondentie uit 2009 blijkt dat tussen [geïntimeerde] en de vroegere partner van [appellant], [ex-partner appellant], is onderhandeld over verkoop van het perceel. Uit niets blijkt dat [geïntimeerde] redelijkerwijs moest begrijpen dat [ex-partner appellant] daarbij niet namens [gedaagde 2] optrad. Dat [gedaagde 2] de wederpartij was en niet [appellant] vindt bevestiging in de door [appellant] overgelegde verklaring van 21 februari 2012. Die verklaring is immers volgens [appellant] zelf ondertekend door [gedaagde 2] (niet: [appellant]) en [geïntimeerde]. [appellant] beroept zich in zijn schriftelijk pleidooi nog op de verklaring van [ex-partner appellant] van 7 mei 2025, waarin het Hof bevestiging zou moeten zien van een aantal feiten en omstandigheden die [appellant] heeft gesteld. Het Hof is echter hierboven al van die feiten en omstandigheden uitgegaan, al of niet veronderstellenderwijs.
Dat in de jaren na 2012 sprake is geweest van onderhandelingen over verkoop met hem heeft [appellant] niet onderbouwd. Met [ex-partner appellant] is daarover kennelijk niet gesproken, want zij is volgens haar verklaring in september 2009 naar Canada verhuisd. Wel blijkt dat in 2023, na de sommatie aan [gedaagde 2] om te ontruimen, tussen partijen is gesproken over eventuele verkoop van het perceel. Dat contact duidt echter niet op een aanvaarding van [appellant] als huurder, maar past veeleer in een streven van partijen of een van hen om te pogen een oplossing in der minne te bereiken.
Ook in hoger beroep is op deze gronden onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter, indien de zaak aan deze wordt voorgelegd, zal oordelen dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] een huurovereenkomst tot stand is gekomen. Zeer waarschijnlijk zal ook de bodemrechter [appellant] tot ontruiming van het perceel veroordelen omdat hij en zijn dochter daar onrechtmatig verblijven.
Bij die stand van zaken heeft [geïntimeerde] het recht om te vorderen dat [appellant] het perceel ontruimt, mede omdat het eigendomsrecht zwaar weegt. De ruimte voor een belangenafweging is uiterst beperkt. In het bijzonder geldt dat misbruik van recht of de afwezigheid van enig redelijk belang bij de gevorderde ontruiming tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] zou kunnen leiden. Van het een noch het ander is sprake: [geïntimeerde] wil verkopen en dat geeft haar een redelijk belang bij de gevorderde ontruiming. [appellant] en zijn dochter worden daardoor getroffen in hun woonbelang en lijden ook financieel nadeel, maar dat ontneemt de redelijkheid niet aan het streven van [geïntimeerde] om het perceel leeg te kunnen verkopen, ook niet als hierbij wordt betrokken dat de meerderjarige dochter van [appellant] behoeftig is. Dit laatste is niet bestreden, maar het is niet duidelijk waaruit die behoeftigheid bestaat zodat ook niet kan worden aangenomen in welke mate dit een verhuizing voor haar en/of voor [appellant] extra nadelig maakt. Dat de ontruiming gelet op alle nadelen daarvan voor [appellant] c.s. zo bezwaarlijk is dat [geïntimeerde] misbruik maakt van haar bevoegdheid om het onrechtmatige verblijf van [appellant] c.s. te beëindigen, is niet aannemelijk gemaakt. De uitoefening van het recht van [geïntimeerde] om op korte termijn te verkopen is dan ook geen misbruik van eigenaarsbevoegdheden.
Slotsom
De grieven 1 en 3 (huurovereenkomst, belangenafweging) falen. Grief 2 richt zich tegen een ten overvloede gegeven en de beslissing niet dragende overweging van het Gerecht (onregelmatige huurbetaling). Het Gerecht heeft de ontruiming niet toegewezen omdat [appellant] een huurachterstand heeft gehad, maar omdat hij en zijn dochter onrechtmatig op het perceel verblijven. Grief 2 behoeft daarom geen nadere bespreking. Het vonnis waarvan beroep wordt bevestigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Die kosten bedragen Cg 240,50 aan verschotten (betekening memorie van antwoord).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis van het Gerecht van 20 september 2024;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure en begroot die kosten op
Cg 240,50 aan verschotten;
verklaart dit vonnis ten aanzien van de uitgesproken veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en H.E. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.