Civiel recht overig

Curaçao. Geldvordering. Verschuldigdheid veilingkosten bij openbare verkoop.

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
17 augustus 2026
Zaaknummer
CUR2025H00219
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:OGHACMB:2026:216
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Curaçao. Geldvordering. Verschuldigdheid veilingkosten bij openbare verkoop.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Registratienummers: CUR202500553 en CUR2025H00219

Uitspraak: 28 juli 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

RBC ROYAL BANK,

gevestigd in Curaçao,

in eerste aanleg eiseres,

thans appellante,

gemachtigde: mr. H.W. Braam,

tegen

[Geïntimeerde],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten [land],

in eerste aanleg gedaagde,

thans geïntimeerde,

niet in rechte verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid als RBC en [geïntimeerde].

1 De zaak in het kort

Dit geding gaat over de kosten van openbare verkoop van een woning. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft de vordering van RBC op dit onderdeel afgewezen.

Het Hof oordeelt deze alsnog toewijsbaar.

2 Het verloop van de procedure

2.1

Bij op 18 augustus 2025 ingekomen akte is RBC in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 7 juli 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht.

2.2

Bij op 29 september 2025 ingekomen memorie van grieven heeft RBC één grief aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt voor zover haar vordering is afgewezen en in zoverre haar vordering alsnog toewijst met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

2.3

Hoewel behoorlijk opgeroepen is [geïntimeerde] in rechte niet verschenen; een memorie van antwoord van hem werd niet ontvangen.

2.4

Op 3 februari 2026 heeft de advocaat van RBC pleitnotities (met producties) ingediend. Van [geïntimeerde] werden geen pleitnotities ontvangen.

2.5

Het Hof heeft daarna een mondelinge behandeling bepaald, maar daarvan later afgezien. Vonnis, op basis van de stukken, is vervolgens bepaald op vandaag.

3 De beoordeling

3.1

RBC heeft betaling gevorderd van een hoofdsom, overige kosten, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten (deels) zijn door het Gerecht toegewezen. De overige kosten (NAf 34.826,25) zijn niet toegewezen op basis van de overweging dat de grondslag daarvoor onvoldoende was gesteld.

3.2

RBC heeft in hoger beroep gesteld dat de overige kosten zien op de kosten die gemoeid waren met de, door de tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van zijn verplichtingen jegens RBC noodzakelijk geworden, openbare verkoop van de tot zekerheid van de geleende hoofdsom verbonden woning van [geïntimeerde]. Specificatie van die kosten is verstrekt en onderliggende bewijsstukken zijn overgelegd. Dit onderdeel van de vordering is daarom alsnog toewijsbaar.

3.3

Als in het ongelijk gestelde partij wordt [geïntimeerde] veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van RBC gevallen. Die kosten bedragen:

- Cg 3.158,29 aan verschotten (griffierecht Cg 2.580 + Cg 578,29 oproeping);

- Cg 4.000 (2 punten tarief tarief 5 á Cg 2.000 per punt).

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht van 7 juli 2025 maar uitsluitend ten aanzien van wat onder 3.6 van het dictum is bepaald en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan RBC van Cg 34.826,85;

bevestigt het vonnis van het Gerecht van 7 juli 2025 voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure aan de zijde van RBC gevallen en begroot deze op Cg 3.158,29 aan verschotten en Cg 4.000 aan salaris gemachtigde;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.