Civiel recht overig

Curaçao. Bankschuld ontwikkelaar villapark. Boeterente. Bewijsopdracht over gesteld aanbod van de bank.

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
CUR2025H00037
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:OGHACMB:2026:220
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Curaçao. Bankschuld ontwikkelaar villapark. Boeterente. Bewijsopdracht over gesteld aanbod van de bank.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Zaaknummers: CUR202301854 – CUR2025H00037

Uitspraak: 28 juli 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

GI-RO SETTLEMENT HOLDING N.V.,

gevestigd in Curaçao,

in eerste aanleg gedaagde,

thans appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

gemachtigde: mr. H.W. Braam,

tegen

de naamloze vennootschap

VILLAPARK FONTEIN N.V.,

gevestigd in Curaçao,

in eerste aanleg eiseres,

thans geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

gemachtigden: mrs. K.A. Doekhi en K. Saleh-Rog.

Partijen worden hierna GHS en Fontein genoemd.

1 De zaak in het kort

Een bank heeft jarenlang financiering verstrekt aan een ontwikkelaar van een villapark in Curaçao. Op enig moment heeft de bank de financiering niet meer verlengd. De ontwikkelaar heeft de bankschuld volledig afgelost en daarbij ook boeterente betaald.

In dit geding heeft de ontwikkelaar vorderingen ingesteld op grond van zijn standpunt dat de bank ten onrechte boeterente in rekening heeft gebracht.

Het Gerecht heeft de vorderingen voor een deel toegewezen.

Beide partijen zijn in hoger beroep gekomen.

Het Hof geeft een bewijsopdracht.

2 Het verloop van de procedure

2.1

Bij op 27 februari 2025 ingekomen akte van appel is GHS in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 20 januari 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), ECLI:NL:OGEAC:2025:180.

2.2

Bij op 10 april 2025 ingekomen memorie van grieven, met een productie, heeft GHS vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van Fontein alsnog zal afwijzen, met haar veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties.

2.3

Bij op 4 juni 2025 ingekomen memorie heeft Fontein de grieven van GHS bestreden, incidenteel hoger beroep ingesteld, zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht en haar eis vermeerderd. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk zal vernietigen en haar vermeerderde eis zal toewijzen, met veroordeling van GHS, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten en rente.

2.4

GHS heeft geen memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.5

Op 14 oktober 2025 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.

2.6

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3 De beoordeling

Feiten

3.1

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1.1

Fontein heeft als doel het ontwikkelen, huren en verhuren van onroerende goederen.

3.1.2

Girobank N.V. (hierna: Girobank) heeft sinds 2011 verschillende kredietfaciliteiten aan Fontein verstrekt, die zijn vastgelegd in de volgende commitment letters:

- een commitment letter van 7 juni 2011 voor een lening van NAf 2.000.000 (non-revolving loan) voor de duur van drie jaar tegen 7% rente, te verhogen met 5% in geval van verzuim;

- een commitment letter van 28 mei 2013 voor een verhoging van de lening (non-revolving loan) tot NAf 2.300.000 voor de duur van vijf jaar tegen 7% rente, en een bankgarantie ten bedrage van NAf 600.000 geldig tot 31 december 2013;

- een commitment letter van 11 september 2014 voor een lening van NAf 3.742.548 in het kader van een herstructurering en verhoging van de non-revolving loan met NAf 1.170.000 voor de duur van vijf jaar (tot 28 juni 2019) tegen 7% rente, te verhogen met 18% in geval van verzuim;

- een commitment letter van 5 december 2018 voor een lening van NAf 1.630.000 (overdraft facility), credit card limiet van NAf 5.000 en een lening van NAf 2.764.297 als voortzetting van de non-revolving loan tot en met 31 december 2020 tegen 7% rente, te verhogen met 18% in geval van verzuim.

3.1.3

Bij e-mail van 8 december 2020 heeft Girobank aan Fontein bericht de kredietfaciliteiten per 31 december 2020 niet meer te zullen verlengen. Fontein is op zoek gegaan naar andere financiering.

3.1.4

Bij brief van 23 december 2020 hebben de advocaten mrs. M.F. Murray en K.A. Doekhi namens Fontein aan Girobank gevraagd om verlenging van de aflossingstermijn met één jaar. In de brief staat onder meer:

Inmiddels heeft Villapark Fontein ter zake haar zoektocht naar een nieuwe financier ook een broker aangesteld met als taak om een passende herfinanciering te vinden. Dat proces is thans nog gaande. Met name vanwege de door COVID-19 op wereldniveau ontstane (economische) situatie is het vinden van een nieuwe financier lastig. Terwijl Villapark Fontein daar desalniettemin drukdoende mee is, werd zij geheel uit het niets verrast met de email (...) van 8 december 2020. In dat mailbericht werd aan Villapark Fontein medegedeeld dat de kredietcommissie van Girobank inmiddels zou hebben besloten om de met Villapark Fontein overeengekomen kredietfaciliteiten per 31 december 2020 niet meer te zullen verlengen.

Dit laatste staat om te beginnen haaks op het ter zake bij Villapark Fontein door Girobank opgewekte gerechtvaardigde vertrouwen. (...).

Hier komt bij dat Girobank er kennelijk van uitgaat dat Villapark Fontein slechts binnen enkele weken na 8 december 2020 voor volledige betaling van de openstaande saldi uit hoofde van de kredietfaciliteiten zal zorgdragen. Dat is alleszins onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en in strijd met de op Girobank rustende bancaire zorgplicht, met name nu aan Villapark Fontein ook een onredelijk korte termijn wordt geboden om, ten tijde van een onder druk van COVID-19 staande wereldeconomie, een nieuwe financier te vinden.

(...)

Indachtig het voorgaande verzoekt Villapark Fontein hierbij dus dat Girobank alsnog besluit om de looptijd van de thans nog geldige commitment letter te verlengen voor minimaal één jaar en dus tot en met uiterlijk 31 december 2021, zonder dat Villapark Fontein boeterentes en/of andersoortige betalingen verschuldigd wordt. (...)

3.1.5

Fontein is de kans gegeven om de lening uiterlijk per 1 mei 2021 af te lossen. Dat is vastgelegd in een commitment letter van 1 maart 2021 voor een lening van NAf 3.288.464 in het kader van een herstructurering van de

non-revolving loan ingaande 1 januari 2021 tot 1 mei 2021 tegen 7% rente, te verhogen met 18% in geval van verzuim. Aflossing van de non-revolving loan vond plaats door afdracht van 90% van de verkoopopbrengst van de woningen.

3.1.6

GSH is op 28 december 2020 opgericht. GSH heeft alle leningsovereenkomsten van Girobank overgenomen.

3.1.7

Bij e-mail van 17 maart 2021 heeft een bestuurder van Girobank/GSH aan Fontein bericht dat de overeenkomst niet is verlengd onder gelijkblijvende condities.

3.1.8

Op 12 mei 2021 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen GSH en Fontein.

3.1.9

Bij e-mail van 9 september 2021 heeft mr. Braam namens GSH alsnog gereageerd op het verzoek van Fontein om de aflossingstermijn te verlengen tot eind december 2021. In de e-mail staat onder meer:

Giro persisteert bij het standpunt zoals verwoord in mijn eerdere mails.

(...)

In een brief van 23 december 2020 heeft de gemachtigde van Villapark, mr. M. Murray, gesteld dat Villapark 1 jaar nodig zal hebben om een nieuwe financier te vinden.

Girobank kan zich hierin vinden.

Per eind december 2021 dient de schuld van Villapark aan Giro volledig te zijn afgelost.

Girobank wenst hiermee echter geen enkel recht of aanspraak tot onmiddellijke opeisbaarheid van de vordering vrij te geven en behoudt zich ten aanzien hiervan alle rechten en weren voor.

(...)

3.1.10

Bij e-mail van 14 oktober 2021 heeft mr. Braam namens GSH aan Fontein onder meer bericht:

U wordt erop gewezen dat Villapark in verzuim is en dat een voorstel zijdens GSH dit verzuim niet opschort dan wel opheft.

3.1.11

Bij e-mail van 8 augustus 2022 heeft mr. Braam namens GSH aan Fontein onder meer bericht:

Villapark is aan GSH per 29 juli 2022 verschuldigd een somma van Fl. 407.889,56.

Vermeerderd met de overeengekomen rente van 7% per jaar wordt het verschuldigde bedrag Fl. 436.452,53 en vermeerderd met de boeterente van 18% wordt dit Fl. 481.321,48.

Omdat Villapark in verzuim is, treedt de boeterente in werking c.q. kan op de boeterente een beroep worden gedaan.

De vorderingen en aanspraken van Girobank op haar debiteuren zijn aan GSH gecedeerd, hetgeen betekent dat ook de met Girobank destijds overeengekomen boeterente van 18% op GSH is overgegaan (dan wel de aanspraak op deze 18% boeterente). Daar hoeven we geen woorden aan vuil te maken.

Het verzuim is van rechtswege ingetreden doordat Villapark de aflossingen op de lening niet tijdig heeft gedaan.

3.1.12

Fontein heeft de schuld aan GSH per 9 september 2022 volledig afgelost. Het betaalde bedrag omvat NAf 168.959,13 aan boeterente.

3.1.13

Bij e-mail van 27 oktober 2022 heeft Fontein aan GSH onder meer bericht:

VPF heeft nu in aanzienlijk korte termijn een zeer hoge lening (3,3M ANG) terugbetaald incl. de zeer hoge boete van 12%.

Vorderingen

3.2

In dit geding heeft Fontein gevorderd – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht te verklaren dat Fontein niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen ten opzichte van GSH, waardoor GSH het bedrag van NAf 168.959,13 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023 tot aan de dag van volledige betaling, terug moet betalen aan Fontein, althans voor recht te verklaren dat het boetebeding waar GSH zich op beroept met terugwerkende kracht toepassing mist, althans tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat heeft geleid en dat daarom het bedrag van NAf 168.959,13 onverschuldigd is betaald door Fontein aan GSH, althans voornoemd bedrag te matigen tot nihil of tot een in goede justitie te bepalen boetebedrag;

- voor recht te verklaren dat GSH haar bancaire zorgplicht heeft geschonden ten aanzien van Fontein en dat GSH schadeplichtig is jegens Fontein;

- GSH te veroordelen tot betaling aan Fontein van het bedrag van NAf 168.959,13 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023 tot de dag van volledige betaling;

- GSH te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan Fontein voor NAf 33.390 en NAf 14.492,68 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023 tot aan de dag van volledige betaling en voor het overige nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het ten deze te wijzen vonnis tot aan algehele voldoening;

- GSH te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten alsook in de wettelijke rente berekend over die kosten indien de betaling daarvan niet binnen 14 dagen na het ter zake te wijzen vonnis heeft plaatsgehad.

Beslissingen van het Gerecht

3.3

Bij het vonnis waarvan beroep heeft het Gerecht GSH veroordeeld tot betaling van de in rekening gebrachte en betaalde boeterente over de periode mei 2021 tot en met december 2021 en zoals volgt uit rov. 4.7 van het vonnis waarvan beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2023. Het Gerecht heeft de proceskosten gecompenseerd, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4

Aan deze beslissingen heeft het Gerecht, samengevat weergegeven, de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

(4.3) Fontein heeft de lening niet vóór 1 mei 2021 afgelost. Dit heeft tot gevolg dat de openstaande schuld in zijn geheel ineens opeisbaar is en dat boeterente verschuldigd is.

(4.5) Niet is gebleken dat GSH een aanvullende lening heeft aangeboden, maar dat is niet van doorslaggevend belang. Aan de verschuldigdheid van de boeterente doet niet af dat GSH op zoek was naar een passende herfinanciering. Evenmin is relevant dat mogelijk is gesproken over een aanvullende lening, omdat ten tijde van dat mogelijke gesprek de boeterente al liep.

(4.6) GSH heeft haar bancaire zorgplicht niet geschonden. Het innen van boeterente is niet buitensporig of onaanvaardbaar.

(4.7) De boeterente is berekend over de periode 1 mei 2021 tot 9 september 2022. Het Gerecht is van oordeel dat de boeterente eerst verschuldigd is vanaf 1 januari 2022. Fontein mocht erop vertrouwen dat de termijn voor nakoming uiteindelijk alsnog is verlengd tot en met 31 december 2021 en dat zij over de periode tot en met die datum geen boeterente verschuldigd is. Fontein heeft de boeterente over de periode tot en met die datum onverschuldigd betaald. GSH zal worden veroordeeld die terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023.

(4.8) Voor matiging bestaat geen aanleiding.

(4.9) Fontein heeft onvoldoende belang bij de gevorderde verklaringen voor recht.

(4.10) De schade die GSH (bedoeld is: Fontein) vordert, is niet veroorzaakt door de gestelde wanprestatie. De zaak wordt niet verwezen naar de schadestaatprocedure, omdat Fontein geen andere schade heeft genoemd dan vertragingsschade, die wordt vergoed door toekenning van wettelijke rente.

Beoordeling door het Hof

In het principaal hoger beroep

3.5

Grief 1 van GSH is gericht tegen rov. 4.2 van het vonnis waarvan beroep. Dat is geen dragende overweging, zodat de grief faalt bij gebrek aan belang. Overigens strookt (een welwillende lezing van) de overweging van het Gerecht (“GSH heeft de boeterente in rekening gebracht omdat Fontein het krediet niet binnen de looptijd van de overeenkomst heeft afgelost”) met hetgeen GSH bij grief 1 betoogt.

3.6

De grieven 2 tot en met 5 zijn gericht tegen het oordeel van het Gerecht dat de boeterente niet verschuldigd is over de periode 1 mei 2021 tot en met 31 december 2021. Het Gerecht heeft dat oordeel gebaseerd op de e-mail van mr. Braam van 9 september 2021.

3.7

De inhoud van de e-mail van 9 september 2021 is hiervoor onder 3.1.9 weergegeven. De rechtsgevolgen van de e-mail moeten worden vastgesteld aan de hand van de maatstaven van art. 3:33 en 3.35 BW (de wilsvertrouwensleer).

3.8

In hun brief van 23 december 2020 vragen mrs. Murray en Doekhi om verlenging van de looptijd van de lopende commitment letter tot en met 31 december 2021 met het uitdrukkelijke verzoek dat over die verlengde looptijd geen boeterente verschuldigd zal zijn. Uit de commitment letter van 1 maart 2021 moest Fontein ten tijde van de ontvangst daarvan redelijkerwijs afleiden dat Girobank stilzwijgend weigerde aan het verzoek te voldoen, voor zover het verzoek een verdere strekking had dan waartoe Girobank zich verbond in die commitment letter (zie 3.1.5). Aldus moet Girobank geacht worden het verzoek om van boeterente af te zien stilzwijgend te hebben afgewezen. Onvoldoende is gesteld of gebleken om te kunnen oordelen dat dit anders werd door de e-mail van 17 maart 2021.

3.9

Zie over de bespreking van 12 mei 2021 hierna onder 3.17.

3.10

Op 9 september 2021 ontving Fontein een e-mail van de advocaat van GSH waarin deze schreef dat Girobank zich kan vinden in de stelling uit de brief van mr. Murray dat Fontein een jaar nodig heeft om een nieuwe financier te vinden, en dat de schuld per eind december 2021 volledig dient te zijn afgelost. In de e-mail staat niets over de boeterente, hoewel het verzoek van mrs. Murray en Doekhi ook daarop zag. Hieraan mocht Fontein redelijkerwijs het vertrouwen ontlenen dat indien de schuld per eind december 2021 volledig zou zijn afgelost, GSH geen boeterente in rekening zou brengen, ook al was er een boeterente overeengekomen in de commitment letter van 1 maart 2021. Verder mocht Fontein redelijkerwijs uit de

e-mail afleiden dat indien de schuld later dan per eind december 2021 volledig zou worden afgelost (zoals is gebeurd), GSH geen boeterente in rekening zou brengen over de periode tot en met 31 december 2021. GSH had in de e-mail buiten twijfel moeten stellen dat zij naast haar voorbehoud over onmiddellijke opeisbaarheid van de vordering ook vasthield aan boeterente over de periode tot en met 31 december 2021 als dat haar bedoeling was. Uit de tekst van de e-mail heeft Fontein dat laatste niet hoeven te begrijpen. Dit komt voor risico voor GSH als degene namens wie de e-mail is opgesteld. Dit gezichtspunt weegt des te zwaarder, omdat de e-mail is geschreven door een advocaat.

3.11

In de e-mail van 14 oktober 2021 staat dat Fontein in verzuim is, maar die enkele opmerking is onvoldoende voor het oordeel dat Fontein vanaf die datum niet meer erop mocht vertrouwen dat GSH geen boeterente in rekening zou brengen over de periode tot en met 31 december 2021.

3.12

Op grond van het voorgaande behoefde Fontein het redelijkerwijs niet eens te zijn met wat mr. Braam in zijn e-mail van 8 augustus 2022 schreef over de boeterente. De betaling van de in rekening gebrachte boeterente per 9 september 2022 en de verwijzing daarnaar in de e-mail van Fontein van 27 oktober 2022 houden geen erkenning in van de verschuldigdheid van de in rekening gebrachte boeterente. Die betaling en verwijzing brengen ook niet mee dat Fontein het recht zou hebben verwerkt om boeterente terug te vorderen wegens onverschuldigde betaling.

3.13

Het principaal hoger beroep faalt.

In het incidenteel hoger beroep

3.14

Zonder daaraan een genummerde grief te wijden heeft Fontein in haar memorie van 4 juni 2024 verklaard de commitment letter van 1 maart 2021 te vernietigen wegens dwaling. Deze verklaring blijft zonder rechtsgevolg. Uit de omstandigheid dat Fontein bij de parafering en ondertekening van de commitment letter van 1 maart 2021 telkens heeft geschreven ‘onder protest’, volgt niet dat Fontein gedwaald heeft bij het aangaan van die commitment letter. Voor het overige heeft Fontein haar standpunt dat zij de commitment is aangegaan onder invloed van dwaling, niet onderbouwd. Het beroep op dwaling faalt daarom, wat er verder zij van het standpunt van GSH dat de rechtsvordering tot vernietiging wegens dwaling is verjaard.

3.15

De grieven 1 en 3 van Fontein hebben betrekking op het oordeel van het Gerecht dat Fontein boeterente verschuldigd is. Fontein heeft onder meer aangevoerd dat zij die niet verschuldigd is, omdat in de commitment letters geen fatale termijnen, maar slechts streefdata worden genoemd.

3.16

Dit betoog faalt. De commitment letters van 7 juni 2011, 28 mei 2013, 5 december 2018 en 1 maart 2021 vermelden onder het kopje ‘term/repayment’ duidelijk en ondubbelzinnig een maximumduur. Dit is anders in de commitment letter van 11 september 2014 (daarin wordt een datum voor review genoemd), maar dat is niet van belang, omdat die is opgevolgd door latere commitment letters die een maximumduur vermelden. Weliswaar was gedurende de looptijd van de commitment letters de aflossing afhankelijk van de verkoop van kavels, maar dat doet er niet aan af dat in vier van de vijf commitment letters duidelijk en ondubbelzinnig overeengekomen is dat aan het einde van de overeengekomen maximumduur de volledige lening moet zijn afgelost. Tegen die achtergrond is niet van belang dat Fontein de kavels in fasen en subfasen te koop aanbood. Fontein heeft ook overigens geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zij de commitment letters zo mocht begrijpen dat de datum waarop de maximumduur volgens de commitment letter eindigt tussen partijen gold als een streefdatum. Aan bewijslevering op dit punt komt het Hof dan ook niet toe, dus ook niet aan het aanbod van Fontein om met getuigen te bewijzen dat streefdata passen bij de aard van de overeenkomst en de wijze waarop partijen samenwerkten.

3.17

Grief 2 heeft betrekking op de bespreking van 12 mei 2021. Fontein heeft aangeboden met getuigen te bewijzen dat GSH tijdens die bespreking heeft aangeboden dat zij een aanvullend bedrag van Cg 350.000 aan Fontein zou lenen met als doel hiermee op termijn sneller aflossingen te kunnen doen en dat zij geen boeterente in rekening zou brengen. Het Hof zal Fontein opdragen die stelling te bewijzen.

3.18

Over de grieven 4 tot en met 7 van Fontein houdt het Hof ieder oordeel aan.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

draagt Fontein op te bewijzen dat GSH tijdens de bespreking van 12 mei 2021 heeft aangeboden dat zij een aanvullend bedrag van Cg 350.000 aan Fontein zou lenen met als doel hiermee op termijn sneller aflossingen te kunnen doen en dat zij geen boeterente in rekening zou brengen;

bepaalt dat Fontein, indien zij daartoe getuigen wil doen horen, deze kan voorbrengen op een nader te bepalen dag en uur voor mr. Lewin, lid van het Hof, in een zittingszaal van de Kas di Korte in Curaçao;

houdt ieder verder oordeel aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en P.J. Duinkerken, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.