Civiel recht overig
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in het restaurant en het pand van het restaurant.
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 20 april 2017
ECLI:NL:OGEAA:2017:603 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba · 20 april 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-aruba/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-ogeaa-2017-603
Zaakgegevens
Op 20 april 2017 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 20 april 2017
- Datum publicatie
- 21 augustus 2017
- Zaaknummer
- 169 van 2017
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAA:2017:603
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in het restaurant en het pand van het restaurant.
Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
S T R A F V O N N I S
in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], te [adres].
1 Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.F.M. Zara.
De officier van justitie, mr. R.C.P. Rammeloo, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden jeugddetentie waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft pleitnotities overgelegd en het woord ter verdediging gevoerd.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd:
dat hij op of omstreeks 10 maart 2012 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een restaurant, te weten [naam restaurant], gelegen op [locatie] te [stad], immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid benzine, althans brandbare vloeistof in bedoelde restaurant gegoten en/of (vervolgens) die vloeistof tot ontbranding gebracht en/of laten komen met een aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor onder meer stoelen en/of borden en
(artikel 2:98 sub a jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)
3 Voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.
Bevoegdheid van het gerecht
Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.
Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
Redenen voor schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.
4 Bewijsbeslissingen
Bewezenverklaring
Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:
dat hij op of omstreeks 10 maart 2012 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een restaurant, te weten [naam restaurant], gelegen op [locatie] te [stad], immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid benzine, althans brandbare vloeistof in bedoelde restaurant gegoten en/of (vervolgens) die vloeistof tot ontbranding gebracht en/of laten komen met een aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor onder meer stoelen en/of borden en/of pannen en/of ligbedden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
(artikel 2:98 sub a jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
5 Bewijsmiddelen
De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat.
Processen-verbaal, bijlage 1, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 12 maart 2012 gesloten en getekend door [verbalisant 1], brigadier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, ingedeeld bij de Districtrecherche Sint Nicolaas, voor zover inhoudende, als verklaringen van de aangeefster [aangeefster], -zakelijk weergegeven-:
Ik heb een relatie van ongeveer 3 jaren met de man genaamd [partner]. [partner] was getrouwd met de vrouw genaamd [ex-vrouw van partner]. In de afgelopen drie maanden werden wij, [partner] en ik, verschillende keren lastig gevallen door [ex-vrouw van partner] en haar familie. [partner] wordt telkens zonder reden, door [ex-vrouw van partner] gebeld. Ongeveer 5 dagen geleden kwam [ex-vrouw van partner] bij mij op werk. [ex-vrouw van partner] wou met mij praten. [ex-vrouw van partner] zei tegen mij dat [partner] nog niet de scheidingsdocumenten getekend had en dat [partner] nog steeds van haar houdt. Ik zei tegen haar dat ik niets wilde horen en dat ik haar niet meer bij mijn werk wilde zien. Ik zei ook tegen haar dat als zei over [partner] wil praten dan moet zij dit in bijzijn van [partner] doen.
Hierna ben ik naar het huis van [partner] gegaan. Daar gekomen zag ik [ex-vrouw van partner] in een auto komen aanrijden. Ik stapte uit mijn auto en ging direct met [partner] praten. [ex-vrouw van partner] stapte ook uit haar auto en ging voor het huis van [partner] staan. Hierdoor gingen wij, [partner] en ik, met [ex-vrouw van partner] praten. [ex-vrouw van partner] zei tegen mij dat [partner] een relatie met een andere vrouw heeft. [ex-vrouw van partner] zei dat een vriendin van haar genaamd [vriendin ex-vrouw] dit aan haar had verteld. Hierdoor zijn wij naar het huis van [vriendin ex-vrouw] gegaan. Daar gekomen spraken wij met [vriendin ex-vrouw]. Zij begon tegen ons, [partner] en ik, te vloeken. Er ontstond een discussie tussen ons. Op een gegeven moment uitte één van de vriendinnen van [vriendin ex-vrouw] genaamd “[vriendin K]” de volgende woorden: mi ta bai kima bo fucking lugar” (“ik ga die klote zaak van je in brand steken: vrije vertaling verbalisant”). Ik zei tegen [vriendin K] dat ik naar de politie voor haar zal gaan. Hier zijn wij naar de politiewacht te Sint Nicolaas gegaan. Bij de politiewacht gekomen heb ik de politie van het gebeuren in kennis gesteld. De politie ging toen naar het huis van [ex-vrouw van partner]. Ik ben samen met de patrouille gegaan om hen het huis van [ex-vrouw van partner] aan te wijzen. Bij het huis van [ex-vrouw van partner] gekomen zag ik de groep mensen die eerder bij het huis van [vriendin ex-vrouw] waren daar staan. Ik wees de politie [vriendin K] aan. Gedurende de bemiddeling heeft [vriendin K] voor de politieagenten bekend dat zij mij inderdaad, met het in brandsteken van mijn restaurant, bedreigd had. Hierna zijn wij, [partner] en ik, naar huis gegaan. Eergisteren omstreeks 00:00, werd ik door mijn broer genaamd [broer aangeefster] gebeld. [broer aangeefster] gaf mij te kennen dat onbekenden mijn zaak zijnde “[naam restaurant]” in brand hebben gestoken. In verband hiermee ben ik samen met [ partner] naar [locatie] gegaan. Ik zag dat mijn zaak bijna helemaal verbrand was. Ik ben van overtuigd dat [vriendin K] iets met maken heeft met het in brand steken van mijn zaak, daar zij mij bedreigd had dit te zullen doen.
Een geschrift, te weten een brief met eigen verklaring van [docent] betreffende afwezigheid van [medeverdachte] (bijlage 4 algemeen proces-verbaal), voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven
Pa medio di e carta aki, ami [docent], naci [geboortedatum], [geboortejaar], bibando na [woonadres] y docente na [naam schoolinstelling] desde 2006, ta informa boso cu [verdachte] ex-alumno di mi school tabata ausente pa algun siman (mas o menos 3 siman) den luna di maart.
Na su regreso bek na school, mi por a nota cu [verdachte] tabata tin pa algun dia un lenso bisti na su gargan (naar het gerecht begrijpt: garganta) Segun su vershon, e tabata tin “waterpokk (naar het gerecht begrijpt: waterpokken) y kier a topa e markanan cu a keda na su garganta.
Een proces-verbaal, lurisnummer KLR-I-2012058539 (bijlage 6), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 5 december 2012 gesloten en getekend door [verbalisant 2], brigadier-rechercheur van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland, afdeling Centrale Recherche , belast met de afhandeling van internationale Rechtshulpverzoeken van het IRC Noordwest en Midden Nederland, voor zover inhoudende, als relaas van die verbalisant, -zakelijk weergegeven-:
Op 29 november 2012 ontving ik een internationaal rechtshulpverzoek afkomstig van de Arubaanse autoriteiten met Kenmerk RHV012/080, gedateerd op 26 november 2012 in verband met een onderzoek betreffende een misdrijf, in dit onderzoek is een getuige genaamd: [getuige 1]. Uit het onderzoek is gebleken dat de getuige kennis draagt van de identiteit van de verdachten van een brandstichting in de maand maart van een horeca-gelegenheid met de naam “[naam restaurant]” gelegen aan “[locatie]” te Aruba.
De getuige kon hierover het volgende verklaren:
Mijn tante [moeder aangeefster], een zus van mijn moeder was eind september tot en met 3 oktober 2012 in Nederland op vakantie. Toen zij hier was kwamen we op de brand die was gesticht op het strand van Aruba. Zij wist niet alles, Ik heb haar verteld wat ik wist. Ik heb haar het volgende verteld. [moeder aangeefster] is de eigenaresse van “[naam restaurant]”. Zij heeft een dochter genaamd [aangeefster]. [aangeefster] had ruzie met haar nichtje genaamd [medeverdachte]. Deze ruzie ging om twee autobanden. [medeverdachte] en haar broer [verdachte] hebben toen besloten de zaak van de moeder van [aangeefster] in de brand te steken. Hierbij hebben ze ook mijn broer [broer getuige 1] bij betrokken. Ik heb dit verhaal van [medeverdachte] en [veradchte] gehoord. Ik was namelijk toen bij hen woonachtig. [medeverdachte] deed het voorstel aan [verdachte] en [broer getuige 1] dat zij 100 Florin zouden krijgen als zij “[naam restaurant]” in brand zouden steken. Die bewuste nacht aan het einde van de avond gingen [medeverdachte], [verdachte] en [broer getuige 1] op pad met een zwarte auto, die eigendom was van de moeder van [medeverdachte] en [verdachte]. Ze namen een rode jerrycan met vermoedelijk benzine mee en een rode nitraat bom. Ik heb de jerrycan alsmede de nitraatbom gezien. Ik bleef thuis op de kinderen van [medeverdachte] passen. Toen zij weer thuis kwamen lag ik gewoon geslapen. Ik zag ze de volgende dag pas weer. Ik zag toen dat een gedeelte van beide oren van mijn broer was verbrand en dat ook zijn wenkbrauwen iets waren verbrand. Zijn wimpers waren helemaal kort. Ik denk ook dat die waren verbrand. [verdachte] had oppervlakkige brandwonden op zijn hele gezicht en een van zijn ogen was helemaal opgezwollen. Ook had hij kortere wimpers. Mij is toen door alle drie het volgende verhaal verteld. Ik weet niet meer exact wie of wat heeft gezegd maar het volgende zou dus zijn gebeurd. [verdachte] en [broer getuige 1] zouden in het restaurant zijn geweest. Zij zouden een deur hebben ingetrapt. Toen hebben ze aan de binnenkant de benzine overal uitgegoten en vervolgens zou [verdachte] de nitraatbom naar binnen hebben gegooid.
Een proces-verbaal, proces-verbaalnummer PL300-2015026358-3 (bijlage 29), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 5 februari 2014 te 14:00 uur gesloten en getekend door [verbalisant 3] (AML12901) en [verbalisant 4] (AML16375), brigadiers van Politie Eenheid Amsterdam, voor zover inhoudende, als verklaringen van de verdachte [broer getuige 1], -zakelijk weergegeven-:
Het was 3 jaar geleden. Ik was op Aruba, mijn moeder had mij daar gestuurd. Ik was daar 2 maanden uiteindelijk. Er was een ruzie tussen mijn nicht en mijn andere nicht. Mijn neef heet [verdachte] en [medeverdachte]. De andere nicht weet ik de naam niet van. Ik stap met mijn nicht en neef in de auto. Mijn nicht zei we gaan naar ergens toe, ik weet het niet. Ze stoppen bij een benzinepomp, ze leggen me uit wat er gaat gebeuren, wat ze gaan doen. (aanvulling verdachte bij het doorlezen: “Ze hebben de reden niet uitgelegd, ze hebben het onderwerp veranderd. Ze gingen praten over iets anders”). Ze vullen de jerrycan, ze kopen iets bij de benzinepomp. Ze geven mij iets te eten. Uiteindelijk komen we bij de [naam restaurant] van mijn tantes. Ik dacht dat wij een jointje gingen roken. Ik draai met om en kijk naar mijn neef en nicht. Ik zie dat het pand in brand is. Door de klappen van de benzine, heeft ons geraakt, [verdachte] en mij. Ik vroeg wat ze deden. Mijn neef zei dat hij het zo uit ging leggen, maar dat ze weg moesten. Hij had en sjaal voor zijn gezicht voor zijn moeder gedaaan zodat zij het niet zag. Hij ging ook met de sjaal om zijn hoofd naar school zodat de meester dit niet kon zien. Ik had geen school. Toen mijn neef terugkwam, had hij me verteld dat mijn nichtje, [medeverdachte] was vastgehouden en geslagen en dat ze daarom het pand had gebrand. Ze reden in een zwarte auto, ik ben de naam vergeten. Met zwarte glazen, ze zijn die richting daarmee opgegaan. Ik denk het merk Toyota. Het was met een rode jerrycan gebeurd. Ik weet dat het 3 jaar geleden is. Ik weet niet meer welke dag. Het was eind van 2012, begin 2013.
Ik verbleef bij mijn nicht, neef en tante [moeder medeverdachte en verdachte]. Zij is de moeder van [verdachte] en [medeverdachte] en de zus van mijn moeder. Het was in de avond, late uren in de nacht, 2 uur of 3 uur. We gingen altijd stappen en feesten. Ik vond het raar dat mijn nicht meeging. De auto was van haar moeder. [medeverdachte] mag dat vaker lenen. [medeverdachte] zat achter het stuur. Ik zat achter. [verdachte] zat naast de bestuurder. We gingen naar de benzienpomp, [stad]. We besproken niks onderweg. We waren muziek aan het luisteren en een jointje aan het roken. Ze hebben de jerrycans niet gekocht. Die hadden ze al in de auto. Ik weet het omdat ik zag toen ze die uit de achterbak haalden. Ik heb de jerrycan niet eerder gezien. Mijn nichtje ging de jerrycan vullen. Ze lieten de jerrycan weer in de achterbak. Ik dacht pas er klopt iets niet toen we op het pad waren vlakbij [naam restaurant]. Ik zag dat zij uit de auto stapten. Ze liepen via de de achterbak naar [naam restaurant]. Ze liepen om het gebouw heen via de kant van de zee. Ik had al het gevoel dat ze de jerrycan hadden gepakt. Ik ben uitgestapt en keek. Ze zeiden we komen zo. Ik zag niet wie met de jerrycan liep. Ik zag dat mijn neef de jerrycan ging gooien. Ik zag dat het opengebroken was, mijn neef had het opengebroken. Mijn neef gooit het erin. Hij gooide het met de ene hand en stak het met zijn andere hand aan. Mijn nicht stond erachter. Het slot van de deur was verbroken. Het was een houten deur met een kleine slot. Het slot was opengebroken. Ik zag dat de deur open was. Ik zag dat mijn neef de benzine strooide. Ik zag de gaspijpen, of gasflessen. Dat heb ik in mijn hoofd gehad.
De kleur van de gaspijpen was grijs. Hij stak het aan met een aansteker. Toen hij het aanstak ging het in de brand. Mijn neef schreeuwde en mijn nicht. Ik ging ook schreeuwen. Het was een grote vlam. Mijn neef zei dat we moesten rennen. Ik voelde mijn gezicht een beetje branden. Ik weet niet of ze de jerrycan hebben meegenomen. Mijn neef voelde ook dat er brand op zijn gezicht kwam. We zeiden niets in de auto. Ik zat in de spiegel te kijken naar de brandwonden. Ik durfde niets te vragen. Ik zie dat we naar huis gaan. Mijn neef en ik gingen de hele dag bij de airco staan. Ik vroeg aan hem waarom er dit is gebeurd. Toen vertelde mijn neef over mijn nicht. Twee neven hielden haar vast en hadden haar geslagen in haar gezicht. Dat was 1 dag daarvoor of 2 dagen daarvoor. Ik heb geen letsel gezien bij [verdachte]. Ik heb het aan mijn zusje verteld, we moesten zorgen dat mijn tante het niet wist, maar uiteindelijk wist ze het toch, want iedereen praatte erover. Mijn tante was geschrokkken. [moeder aangeefster] en [moeder medeverdachte en verdachte] zijn zussen als ik het goed heb. Ik heb behalve de snicker, geen geld ervoor gekregen. De verklaring van [getuige 1] wordt aan verdachte voorgelezen. Ik weet dat mijn zus ook bij de politie is geweest. Ik wist het niet van tevoren. Mijn zusje misschien wel. Ik heb later die 100 florin gekregen. Mijn neef [medeverdachte] zei dat ik niet moest praten. Ik ging toch praten omdat ik het niet goed vond. Mijn rol was om in de auto te stappen. Ik heb niks aangeraakt. Ik heb de de deur niet ingetrapt. Ik was gekomen toen de deur al open was. Als ik het goed heb, is het met een hamer. Ik zag een hamer in de auto. Mijn nicht pakte later een hamer uit de auto, toen wij wegliepen. Deze lag naast de bestuurdersstoel in de auto.
De verdachte heeft ontkend het feit te hebben gepleegd. Het gerecht acht de hiervoor gebezigde wettige bewijsmiddelen evenwel voldoende overtuigend om tot het oordeel te komen dat verdachte zich aan het feit heeft schuldig gemaakt. Het bewijs komt uit meerdere bronnen en is voldoende consistent.
6 Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van brandstichting met gevaar voor goederen
strafbaar gesteld bij artikel 2:98 jo. artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht.
Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.
7 Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.
8 Oplegging van straf of maatregel
Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Brandstichting is een delict met een sterk gevaarzettend karakter ten aanzien van zowel goederen als personen in de omgeving van de brand. De gevoelens van onveiligheid nemen bij de mensen die getroffen zijn door een brand of die wonen in de buurt van de brand enorm toe, terwijl ook in de maatschappij in zijn algemeenheid de gevoelens van onveiligheid toenemen. In het onderhavige geval heeft de brand alleen gevaar veroorzaakt voor goederen in het restaurant en het pand van het restaurant.
Ten voordele van verdachte neemt het gerecht, naast zijn nog jeugdige leeftijd ten tijde van het begaan van het strafbare feit, in aanmerking dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
Het gerecht zal deze straf voorwaardelijk opleggen gelet op het aanzienlijke tijdsverloop sinds het delict, waarmee het gerecht in meerdere mate dan de officier van justitie rekening houdt, en voorts teneinde verdachte in te scherpen zich gedurende de proeftijd niet weer aan misdrijf schuldig te maken.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn mede gegrond op de artikelen 1:163 e.v van het Wetboek van Strafrecht.
12 Beslissing
Het gerecht:
verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit zoals hierboven bewezen geacht heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van drie (3) maanden;
beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee (2) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van tweehonderd (200) uren, onder begeleiding en toezicht van de Stichting Reclassering en Jeugdbescherming Aruba, te voltooien binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. Bij het niet naar behoren verrichten van deze taakstraf zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van honderd; (100) dagen.
bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering wordt gebracht (naar de maatstaf van TWEE (2) Uren per dag in inverzekering doorgebrachte dag;
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. P.A.H. Lemaire en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 20 april 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.