Civiel recht overig

civiel recht, schuldvordering

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 17 oktober 2018

Zaakgegevens

Op 17 oktober 2018 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Datum uitspraak
17 oktober 2018
Datum publicatie
29 oktober 2018
Zaaknummer
AUA201800787
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:OGEAA:2018:632
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

civiel recht, schuldvordering

Uitspraak

Vonnis van 17 oktober 2018

Behorend bij A.R. no. AUA201800787

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ARUBA BANK N.V.,

gevestigd te Aruba,

hierna ook te noemen: eiseres,

gemachtigden: de advocaten mrs. M.E.D. Brown en E.H.J. Martis,

tegen:

[GEDAAGDE 1]

wonende te Aruba, [adres],

hierna ook te noemen: gedaagde sub 1,

procederend in persoon,

[GEDAAGDE 2]

wonende te Aruba,

hierna ook te noemen: gedaagde sub 2,

gemachtigde: de advocaat mr. H.G. Figaroa.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juni 2018,

- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 5 september 2018.

1.2

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 HET GESCHIL EN DE BEOORDELING DAARVAN

2.1

Eiseres vordert dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden veroordeelt tot betaling aan eiseres van Afl. 17.238,96, vermeerderd met 1,5% contractuele rente per maand vanaf 29 december 2016, alsmede vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten van Afl. 1.500,-, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

2.2

Eiseres grondt de vordering erop dat gedaagden tekort zijn geschoten in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen.

2.3

De vordering is door gedaagden erkend, door gedaagde sub 1 bij antwoord en door gedaagde sub 2 ter zitting, zodat de hoofdsom vermeerderd met de contractuele rente en de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen wordt.

2.4

Als de in het ongelijk te stellen partij moeten gedaagden de proceskosten van eiseres betalen.

3 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

3.1

veroordeelt gedaagden tot betaling aan eiseres van een bedrag van Afl. 17.238,96, vermeerderd met 1,5% contractuele rente per maand vanaf 29 december 2016 tot de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van Afl. 1.500,-;

3.2

veroordeelt gedaagden in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van eiseres worden begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, Afl. 581,67 en Afl. 2.000,- aan gemachtigdensalaris (naar rato van 2 punten van het liquidatietarief 4);

3.3

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 17 oktober 2018 in aanwezigheid van de griffier.