Civiel recht overig
Vordering tot nakoming van levering tweedehands zwembad afgewezen. Nakoming is niet meer mogelijk. Vordering…
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 20 juli 2026
ECLI:NL:OGEAA:2026:200 · Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba · 20 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-aruba/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-ogeaa-2026-200
Zaakgegevens
Op 20 juli 2026 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 20 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- AUA202602130
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEAA:2026:200
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vordering tot nakoming van levering tweedehands zwembad afgewezen. Nakoming is niet meer mogelijk. Vordering tot schadevergoeding betreffende de zwembadverlichting is onvoldoende aannemelijk, zodat deze vordering is afgewezen. Voorschot op vervangende schadevergoeding toegewezen. Restitutierisico is meegewogen.
Uitspraak
Vonnis in kort geding van 20 juli 2026
Behorend bij AUA202602130 KG
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
1 [Eiser],
hierna te noemen: [eiser],
2. [Eiseres],
hierna te noemen: [eiseres],
beiden wonende te Aruba,
eisers,
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers],
gemachtigden: de advocaten mrs. I.I. Zaandam en D.W. Ormel,
tegen:
1 [Gedaagde 1],
wonende te Aruba,
hierna te noemen: [gedaagde 1],
2. COBURG HEAVY EQUIPMENT N.V.,
gevestigd te Aruba,
hierna te noemen: Coburg,
gedaagden,
hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: de advocaat mr. M.A. Kock.
1 DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 24 juni;
- de akte overlegging producties aan de zijde van [gedaagden], ingediend op
3 juli 2026;
- de mondelinge behandeling van 6 juli 2026.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2 DE FEITEN
In maart 2026 heeft [gedaagde 1] via Facebook een tweedehands zwembad van het merk IGUi te koop aangeboden. In de advertentie stond het volgende vermeld:
“Special price used 1 year
Pool 7m long, 3,5m wide y 1.4m deep
Afl 15.000,-
Nos por transport y nos tin machine pa coba tambe
App: [telefoonnummer]
Naar aanleiding van deze advertentie heeft [eiser] contact opgenomen met [gedaagde 1]. Op 23 maart 2026 heeft [eiser] het zwembad bezichtigd op de locatie waar het zich bevond nadat het was verwijderd. Vervolgens is tussen [eisers] en in ieder geval [gedaagde 1] mondeling een koopovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot het zwembad voor een koopprijs van Afl. 15.000,-. Partijen zijn overeengekomen dat [eisers] een aanbetaling van Afl. 3.500,- zouden voldoen. [Eisers] hebben deze aanbetaling voldaan.
In verband met de voorgenomen plaatsing van het zwembad hebben [eisers] opdracht gegeven voor de benodigde graafwerkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd door Coburg. Daarnaast hebben [eisers] een aannemer ingeschakeld voor de aanleg van de voor het zwembad benodigde infrastructuur. Zowel de graafwerkzaamheden als de aanleg van de infrastructuur zijn voltooid. Aanvankelijk heeft Coburg een te klein gat gegraven, waarna een groter gat is uitgegraven. Hierdoor kon het zwembad niet volgens de oorspronkelijke planning worden geplaatst en diende het zwembad (langer) te worden gestald op het terrein waar ook Coburg is gevestigd.
Eisers] hebben voorts een tweede aanbetaling op de koopprijs verricht ten bedrage van Afl. 3.000,-. Betalingen in verband met de koop van het zwembad hebben (mede) plaatsgevonden op het kantoor van Coburg waarbij de betalingen werden verricht door bijschrijving op de privé bankrekening van [gedaagde 1].
Tijdens de graafwerkzaamheden zijn de klinkers in de tuin van [eisers] beschadigd geraakt doordat graafmachines over de bestrating zijn gereden. Ter begroting van de herstelkosten hebben [eisers] twee offertes laten opstellen: een offerte van W&S Services Aruba van 3 april 2026 ten bedrage van Afl. 1.776,20 en een offerte van 10 mei 2026 ten bedrage van Afl. 2.872,95.
Op 12 april 2026 heeft [gedaagde 1] een brief bij [eisers] bezorgd waarin hij mededeelt de koopovereenkomst te ontbinden. Daarbij heeft [gedaagde 1] een bedrag van Afl. 4.900,- in contanten aan [eisers] geretourneerd. Dit bedrag betreft het door [eisers] aanbetaalde bedrag van Afl. 6.500,-, verminderd met een door [gedaagde 1] gesteld bedrag van Afl. 1.600,- aan kosten.
Het zwembad is vervolgens door [gedaagde 1] aan een derde verkocht en geleverd.
3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Eisers] vorderen dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
(i) Coburg, althans [gedaagde 1], beveelt om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis aan [eisers] af te leveren en in hun tuin te plaatsen het verkochte zwembad, althans een vergelijkbaar (nieuw) zwembad van het merk IGUi van ten minste dezelfde kwaliteit en met ten minste dezelfde eigenschappen, en alle werkzaamheden te verrichten die noodzakelijk zijn om het zwembad te plaatsen en naar behoren te laten functioneren, alsmede de beschadigde klinkers te vervangen door vergelijkbare klinkers, zulks op straffe van een dwangsom van Afl. 1.500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Coburg, althans [gedaagde 1], na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van Afl. 30.000,-;
Subsidiair
(ii) Coburg, althans [gedaagde 1], te veroordelen tot betaling aan [eisers], bij wijze van voorschot op vervangende schadevergoeding, van een bedrag van Afl. 37.053,55, bestaande uit Afl. 3.053,55 wegens de beschadigde klinkers en Afl. 49.000,- voor een nieuw zwembad van het merk IGUi van dezelfde kwaliteit en met dezelfde eigenschappen, verminderd met de koopprijs van Afl. 15.000,- die [eisers] verschuldigd zouden zijn geweest indien [gedaagden] hun verplichtingen waren nagekomen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
Zowel primair als subsidiair
(iii) Coburg, althans [gedaagde 1], te veroordelen tot betaling aan [eisers], bij wijze van voorschot op vervangende schadevergoeding, van een bedrag van Afl. 2.985,30 wegens de reeds doorverkochte zwembadverlichting, te vermeerderen met de wettelijke rente;
(iv) [Gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.
Gedaagden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.
Het Gerecht zal hierna, waar nodig, nader op de standpunten van partijen ingaan.
4 DE BEOORDELING
Spoedeisend belang?
Eisers] stellen dat zij een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen, omdat zich in hun tuin een (gevaarlijk) gat bevindt waarin hun hond is gevallen. Daarnaast hebben zij een driejarig kind, voor wie het gat eveneens een gevaarlijke situatie oplevert. Voorts kampt [eiseres] met astma en ondervindt zij daarvan hinder als gevolg van het vrijgekomen stof en zand. [Gedaagden] betwisten dat sprake is van een spoedeisend belang. Volgens hen zien de vorderingen uitsluitend op een financiële aanspraak en hebben [eisers] onvoldoende onderbouwd waarom zij de uitkomst van een bodemprocedure niet kunnen afwachten.
Het Gerecht is van oordeel dat [eisers] voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Anders dan [gedaagden] hebben aangevoerd, gaat het niet uitsluitend om een financiële aanspraak. De huidige situatie in de tuin brengt naar het oordeel van het Gerecht voldoende gewicht toe aan het belang van [eisers] om niet de uitkomst van een bodemprocedure te hoeven afwachten.
Criterium kort geding
Voor toewijzing van de door [eisers] gevorderde voorzieningen is in kort geding slechts plaats indien het bestaan en de grondslag van de vorderingen voldoende aannemelijk zijn. Daarbij is maatgevend of met een zodanige mate van zekerheid kan worden aangenomen dat een bodemrechter de vorderingen zal toewijzen.
Contractspartij?
De vorderingen van [eisers] zijn gericht tegen zowel Coburg als [gedaagde 1]. Coburg ontkent dat zij partij is bij de koopovereenkomst. De eerste vraag die daarom moet worden beantwoord, is of Coburg naast [gedaagde 1] als partij bij de overeenkomst met betrekking tot het zwembad kan worden aangemerkt.
Volgens [eisers] is daarvan sprake, omdat [gedaagde 1] bij de verkoop en plaatsing van het zwembad mede namens Coburg heeft gehandeld. Zij wijzen in dat verband op de wijze waarop het zwembad is aangeboden en de daaropvolgende uitvoering van de werkzaamheden. Zo vermeldde de Facebookadvertentie niet alleen de verkoop van het zwembad, maar ook dat transport en graafwerkzaamheden konden worden verzorgd. Daarnaast voeren [eisers] aan dat het door [gedaagde 1] gebruikte telefoonnummer tevens als contactnummer van Coburg stond vermeld, dat betalingen op het kantoor van Coburg zijn verricht en dat de werkzaamheden rondom de plaatsing van het zwembad door Coburg zijn uitgevoerd met inzet van haar personeel en materieel.
Gedaagden] betwisten dat Coburg partij is bij de overeenkomst met betrekking tot het zwembad. Volgens hen heeft [gedaagde 1] bij de verkoop van het zwembad uitsluitend namens zichzelf gehandeld. Zij voeren aan dat [gedaagde 1] geen betrokkenheid heeft bij Coburg, dat Coburg een bedrijf van zijn vader is en dat Coburg slechts partij was bij de afzonderlijke overeenkomst tot het verrichten van de graafwerkzaamheden. Van enige bevoegdheid of toestemming van [gedaagde 1] om namens Coburg een koopovereenkomst met betrekking tot het zwembad te sluiten, was volgens [gedaagden] geen sprake. Van schijn van die bevoegdheid ook niet.
Het Gerecht acht voorshands aannemelijk dat [eisers] erop mochten vertrouwen dat [gedaagde 1] mede namens Coburg handelde. Daarbij is van belang dat de verkoop van het zwembad naar buiten toe niet losstond van de werkzaamheden rondom de plaatsing daarvan. In de Facebookadvertentie werd naast het zwembad immers ook vermeld dat transport en graafwerkzaamheden konden worden verzorgd. Daarnaast werd het door [gedaagde 1] gebruikte telefoonnummer voor de verkoop ook als contactnummer van Coburg vermeld. Verder staat vast dat het zwembad op een bedrijventerrein waar ook Coburg was gevestigd werd gestald in afwachting van de plaatsing bij [eisers], dat betalingen in verband met het zwembad op het kantoor van Coburg hebben plaatsgevonden en dat de graafwerkzaamheden op initiatief van [gedaagde 1] door Coburg zijn uitgevoerd met gebruikmaking van haar personeel en materieel. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen voorshands de conclusie dat sprake was van een aan Coburg toe te rekenen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Dat [gedaagde 1] volgens [gedaagden] intern niet bevoegd was om namens Coburg te handelen, kan daaraan niet afdoen. Die omstandigheid betreft de interne verhouding tussen [gedaagde 1] en Coburg en kan niet aan [eisers] worden tegengeworpen. En de schijn van de vertegenwoordigingsbevoegdheid valt mede aan Coburg toe te rekenen omdat zij haar kantoor door [gedaagde 1] liet gebruiken. Het Gerecht zal er daarom bij de verdere beoordeling vanuit gaan dat Coburg naast [gedaagde 1] aan de overeenkomst is gebonden.
Nakoming van de overeenkomst
Het Gerecht komt vervolgens toe aan de vordering tot nakoming van de koopovereenkomst. [Eisers] vorderen nakoming door levering en plaatsing van het zwembad, althans door levering en plaatsing van een vergelijkbaar tweedehands zwembad dan wel een nieuw zwembad van dezelfde kwaliteit en met dezelfde eigenschappen. [Gedaagden] hebben aangevoerd dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden wegens herhaald betalingsverzuim aan de zijde van [eisers] en – indien ervan wordt uitgegaan dat de overeenkomst niet is ontbonden – dat nakoming niet meer mogelijk is, omdat het zwembad inmiddels aan een derde is verkocht en geleverd. Zij betwisten daarnaast gehouden te zijn tot levering van een ander zwembad, nu een vergelijkbaar tweedehands zwembad volgens hen op Aruba niet beschikbaar is en een nieuw zwembad geen onderdeel uitmaakte van de tussen partijen gesloten overeenkomst.
Het Gerecht stelt vast dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over de koop van een tweedehands zwembad voor een koopprijs van Afl. 15.000,-. [Gedaagden] hebben aangevoerd dat partijen vooraf volledige betaling van de koopprijs zijn overeengekomen en dat [eisers], ondanks herhaalde verzoeken daartoe, in betalingsverzuim is geraakt, waardoor de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden. [Eisers] heeft daartegenover gesteld dat slechts een aanbetaling diende te worden voldaan en dat deze aanbetaling ook daadwerkelijk is verricht. Naar het voorlopig oordeel van het Gerecht is, gelet op deze gemotiveerde betwisting over de inhoud van de betalingsafspraak en de discussie over de tekortkomingen van [gedaagden] onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake was van een zodanig betalingsverzuim aan de zijde van [eisers] dat dit een opschorting en/of ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigde. Bij de verdere beoordeling van de vordering tot nakoming zal het Gerecht er daarom (voorshands) van uitgaan dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden.
Verder staat tussen partijen vast dat het zwembad waarop de koopovereenkomst betrekking had inmiddels aan een derde is verkocht en geleverd. Dit betekent dat dit specifieke zwembad niet meer aan [eisers] kan worden afgeleverd en in hun tuin kan worden geplaatst. De vordering tot levering en plaatsing van dat zwembad is daarom niet toewijsbaar. Voor zover [eisers] nakoming vorderen door levering en plaatsing van een vergelijkbaar tweedehands zwembad, geldt dat zij onvoldoende hebben weersproken dat een dergelijk zwembad niet beschikbaar is op Aruba. Het Gerecht acht daarom niet aannemelijk dat deze vorm van nakoming binnen afzienbare tijd kan worden gerealiseerd, zodat afweging van de belangen van partijen meebrengt dat [gedaagden] daartoe in dit kort geding niet zullen worden veroordeeld. Voor zover [eisers] nakoming vorderen door levering en plaatsing van een nieuw zwembad van dezelfde kwaliteit en met dezelfde eigenschappen, geldt dat dit niet zonder meer kan worden aangemerkt als nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. De overeenkomst had immers betrekking op de koop van een specifiek tweedehands zwembad en niet op de levering van een nieuw zwembad. Van [gedaagden] kan daarom niet worden verlangd dat zij een andere prestatie leveren dan waartoe zij zich hebben verbonden. De primaire vordering tot nakoming zal daarom worden afgewezen.
Vorderingen tot schadevergoeding
Het Gerecht komt vervolgens toe aan de door [eisers] gevorderde schadevergoeding. [Eisers] vorderen betaling van een bedrag van Afl. 2.985,30 wegens geïnstalleerde zwembadverlichting en subsidiair betaling van een bedrag van Afl. 37.053,55 als voorschot op (vervangende) schadevergoeding wegens het niet kunnen nakomen van de overeenkomst.
Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is terughoudendheid geboden. Naast het vereiste van spoedeisend belang dient het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk te zijn. Daarbij dient tevens het restitutierisico in de belangenafweging te worden betrokken.
Vordering tot schadevergoeding betreffende de zwembadverlichting
Eisers] stellen dat zij zwembadverlichting hebben aangeschaft en deze door een derde in het zwembad hebben laten plaatsen. Zij voeren aan dat zij, nu zij niet meer over het zwembad kunnen beschikken, de kosten van deze verlichting als schade hebben geleden. [Gedaagden] hebben dit gemotiveerd betwist. Zij voeren daartoe aan dat het zwembad nimmer van verlichting is voorzien en wijzen erop dat ook de derde aan wie het zwembad is verkocht heeft bevestigd dat het zwembad geen verlichting bevatte.
Het Gerecht is (voorshands) van oordeel dat deze schadepost onvoldoende aannemelijk is geworden. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] kan in dit kort geding niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat [eisers] de gestelde schade hebben geleden. Voor nadere bewijslevering is in kort geding geen plaats. De vordering ter zake van de zwembadverlichting zal daarom worden afgewezen.
Vordering tot schadevergoeding wegens beschadigde klinkers en een nieuw IGUi zwembad
Eisers] stellen dat [gedaagden] gehouden zijn de schade te vergoeden die zij hebben geleden doordat het zwembad niet meer aan hen kon worden geleverd. Volgens [eisers] bestaat deze schade uit de kosten van een vervangend zwembad en beschadigde klinkers. [Gedaagden] betwisten de omvang van de gestelde schade en voeren aan dat verschillende schadeposten nader feitenonderzoek en bewijslevering vergen. Voor zover [gedaagden] zich ook in dit verband beroepen op de ontbinding van de overeenkomst, geldt dat het Gerecht hiervoor reeds heeft overwogen dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden. Aan dat verweer kan daarom in het kader van de beoordeling van de schadevordering evenmin doorslaggevende betekenis worden toegekend.
Het Gerecht is (voorshands) van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [eisers] als gevolg van het niet nakomen van de overeenkomst schade hebben geleden. Daarbij is van belang dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen, terwijl het zwembad waarop die overeenkomst betrekking had vervolgens aan een derde is verkocht en geleverd. Nu voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat de overeenkomst voordien rechtsgeldig is geëindigd, ligt het in de rede dat een bodemrechter zal oordelen dat [gedaagden] gehouden zijn de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden.
Daarmee is echter nog niet gegeven dat de gevorderde schadevergoeding volledig voor toewijzing in aanmerking komt. Hoewel de schade aan de klinkers als zodanig niet is betwist, zijn de overige schadeposten, waaronder de kosten van een vervangend zwembad, gemotiveerd weersproken. De beoordeling van die geschilpunten vergt nader feitenonderzoek en mogelijk bewijslevering. Voor een dergelijk onderzoek is in kort geding geen plaats.
Gelet op het voorgaande acht het Gerecht voldoende aannemelijk dat [eisers] een aanspraak op schadevergoeding hebben, maar niet dat deze de door hen gevorderde omvang heeft. Bij de beoordeling betrekt het Gerecht tevens het restitutierisico. [Gedaagden] hebben erop gewezen dat sprake is van een aanzienlijk gevorderd voorschot, terwijl niet is gewaarborgd dat [eisers] een eventueel ontvangen bedrag kunnen terugbetalen. [Eisers] hebben daartegenover gesteld dat zij beiden over een inkomen beschikken en voldoende verhaal bieden. Het Gerecht ziet in het restitutierisico geen aanleiding de vordering geheel af te wijzen, maar acht dit, in samenhang met de onzekerheid over de omvang van de schade en het voorlopige karakter van deze procedure, wel aanleiding slechts een beperkt voorschot op de schadevergoeding toe te wijzen. Het Gerecht zal het voorschot daarom bepalen op Afl. 5.000,-. Voor het overige zullen de gevorderde voorschotten worden afgewezen.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het belang van [eisers] bij toewijzing van een beperkt voorschot weegt zwaarder dan het belang van [gedaagden] bij afwijzing daarvan, terwijl met de beperkte omvang van het toe te wijzen voorschot het restitutierisico voldoende wordt ondervangen.
Eisers] klagen naar het voorlopige oordeel van het Gerecht op goede gronden over de wanprestatie van Coburg. Gelet hierop merkt het Gerecht Coburg aan als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij. [Gedaagden] worden daarom hoofdelijk veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden vastgesteld op Afl. 499,- aan verschotten, Afl. 450,- aan griffierechten en Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.
5 DE UITSPRAAK
Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:
beveelt [gedaagden] (bij wijze van voorschot) op schadevergoeding aan [eisers] te betalen een bedrag van Afl. 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2026;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van [eisers], tot vandaag begroot op Afl. 1.949,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis;
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.E. de Boer, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 20 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.